De eenvoudige monnikIk zie een eenvoudig, smal bootje dat in een geul vaart tussen riet, en dat aanmeert bij een houten steiger. In de boot zit ik, een monnik van ongeveer 40-45 jaar, gekleed in een bruine, juten pij. Ik ben stevig gebouwd, heb een monnikenkapsel: kale plek op mijn hoofd, en een bleke gelaatskleur. Ik zie er robuust uit, een beetje boers, gespierd en wat gedrongen, normale lengte, wat diepliggende lichtbruine ogen. Niet echt een schoonheid, maar wat ik wel heb is een bijzondere tederheid en bedachtzaamheid in mijn handelen en bewegen; dit is opvallend in vergelijk met mijn robuuste, ‘aardse’ uiterlijk. Ik zit in het bootje naar mijn handen te staren en voel me wat verlaten, ook enigszins mismoedig. Maar er zijn geen sterke emoties aanwezig. Meer een stille, wat droevige gelatenheid. De steiger gaat over in een plateau met kiezelstenen en bomen; het is helder weer en de zon schijnt; het terrein ligt aan een soort meer met daarachter bergen. In de verte ligt, op een landstrook tussen water in, een witte stad. Maar ik kan daar niet meer naar toe. Ik ben van daar verbannen. Waarom? Ik zie het half donkere, bruinige interieur van een kerkje, niet een kerk met pracht en praal, maar een eenvoudige ruimte met wat houten banken en voorin een eenvoudig altaar. Nu zie ik daar een hooggeplaatse ambtsdrager van de kerk staan, in een onberispelijk wit gewaad met glinsterende sieraden, grote rose-paarse en groene stenen, en een hoge wit-gouden mijter op. Hij staat bij het altaar en ik sta aan de zijkant. Hij geeft een aantal voorschrifen en heeft duidelijk geen verstand van zaken hoe dat bij ons in de praktijk werkt. Ik ben het niet met hem eens en kom in opstand. Het gaat niet over iets theoretisch, iets theologisch, maar over praktische, alledaagse zaken - hoe die geregeld moeten worden. De priester denkt vanuit principes, ik denk vanuit de praktijk zoals die is. Ik ben van eenvoudige komaf, nauwelijks geschoold. Ik ben een intuïtief mens, heb op mystieke wijze contact met de natuur, het land en de vogels, en ook met de -eenvoudige- mensen van het volk, dat daar woont. Ik kan niet goed redeneren of argumenteren tegen de priester. Ik heb wel iets woests en warmbloedigs in me, iets dat in opstand komt tegen deze onrechtvaardigheid. Maar ik heb niet de gave van het woord en ook de emotie van woede past eigenlijk niet echt bij mij want naar mijn aard ben ik verstild, rustig en intuïtief. Maar wat de priesters willen is zo flagrant onredelijk dat er een soort mengeling van verbijstering en verontwaardiging in mij wordt gewekt. Mijn tegenstand wordt niet gewaardeerd. Ik word te kennen gegeven dat ik het niet begrijp, omdat ik van eenvoudige komaf ben en de hogere principes van het kerkelijk beleid toch niet kan vatten. Ik kom niet rechtstreeks in opstand tegen de priesters maar ik weiger wel mee te werken met hun beleid en daarom word ik uit die kerkelijke gemeenschap verstoten. Ik ga dan in de gewone dorpsgemeenschap leven tussen het volk en ik werk op het platteland, op de akkers. Dat vind ik op zich prettig want ik maak gemakkelijk contact met de elementen en ik voel me thuis in de natuur. Ook ben ik lichamelijk sterk en krachtig. Ik woon op mezelf in een soort hut op wat afstand van de gemeenschap. Maar ik kan het goed met de bewoners vinden; ze zijn vriendelijk en eenvoudig en daar voel ik me bij thuis, i.t.t. bij de gezagsdragers van de Kerk. Ik voel me wel wat eenzaam. Ik sticht geen gezin. Ik ben al zo lang monnik geweest. Bovendien ben ik wat onhandig; ik weet niet zo goed hoe ik het moet aanleggen met een vrouw. Ook weet ik dat ik iets speciaals heb, wat mij anders maakt dan hen. Ik heb een speciaal ‘iets’, wat tot uiting komt in mijn mystieke contact met de levende wezens in de natuur. Ik heb het gevoel dat ik een hele dikke huid heb en dat helemaal binnenin een bron zit met heel helder water. Het water kan niet echt naar buiten stromen, alleen komt dat speciale ‘iets’ soms naar buiten door mijn ogen, als een soort warme gloed die mensen troost kan geven of bemoediging. Soms laat ik het even zien. De mensen weten ook wel dat ik dat ‘extra iets’ heb, dat ik onverwacht die warmte kan geven. Zij accepteren dat van mij zonder er echt op door te vragen. Ik kan heel teder zijn. Maar ik weet niet hoe ik dit element in mezelf kan combineren met een relatie met een vrouw. Ik ben ook wat beschroomd. Ik verlang er wel naar, ook naar de warmte van fysiek contact. Er is ook een vrouw in die dorpsgemeenschap die mijn speciale aandacht heeft. Ik vind haar heel mooi en als ik naar haar kijk word ik week in mijn maag; ze is volks en ze is wel wat verweerd door het harde werken, maar ze heeft iets speciaals, het hangt om haar heen, iets melancholieks in haar bruine ogen en in haar glimlach. Die melancholie doet me denken aan het mystieke dat om de dieren, bomen en akkers heenhangt. Wij hebben ook contact met elkaar via onze ogen. Ik weet wel dat er een soort herkenning tussen ons is en dat zij ook iets voor mij voelt. Maar ik weet echt niet hoe ik het aan moet leggen en ik veronderstel dat ze mij toch beschouwt als een monnik, een zonderling dus, met wie je wel kunt praten, maar niet echt intiem kan worden zoals man en vrouw. Ik durf haar niet echt te benaderen. Ik heb daar wel verdriet over, maar ik aanvaard mijn eenzaamheid met een zekere gelatenheid. Ik ben geen vechter in dat soort zaken. Mijn grootste momenten van extase in dat leven zijn de gebedsbijeenkomsten in die eenvoudige kerk, met een groep monniken, elke dag om een uur of vijf in de ochtend kwamen we samen en baden we en zongen we. Ook zat ik soms alleen in één van de houten banken in die kerkruimte, terwijl het daglicht gefilterd door de ramen naar binnen viel, en ik voelde me dan zo verbonden met de goddelijke wereld. De stilte en de eenvoud gaven me intiem contact met de andere wereld. Toen ik verstoten werd uit de kerkelijke gemeenschap, miste ik die ochtenddiensten met mijn monnikenbroeders, en het zitten in die kerkruimte, nog het meeste. Soms ging ik met mijn bootje naar die plaats terug en keek ik van een afstand - vanuit de steiger - naar dat kleine kerkje; dat maakte me droevig en melancholiek. Ik ben in die dorpsgemeenschap ook gestorven, toen ik ergens tussen de 60 en 63 jaar was. Ik denk dat ik stierf aan een eenzaam, verdrietig hart. Tijdens mijn ziekte kwamen de dorpsbewoners mij heel trouw verzorgen. Ook zij, die ene vrouw, kwam een paar keer aan mijn ziekbed. Dat deed me natuurlijk goed, maar het deed me ook pijn, want ik kon haar mijn liefde niet verklaren. Ik had die liefde zo gemist tijdens mijn leven. Misschien zij ook wel. We maakten wel contact met onze ogen. Ik stierf op een vroege morgen, toen ik alleen op mijn bed lag. Ik hoorde de vogels buiten en voelde het zachte ruisen van de wind. Ik had geen pijn meer en liet mijn vermoeide lichaam los. Het lichaam was sterk en had nog lang meegekund, maar mijn hart was droef en eenzaam. Heel licht en stil steeg ik op uit dat lichaam en verliet mijn geliefde gemeenschap en land, mijn kerkje, de mooie natuur en mijn stille liefde. Ik denk dat dit leven plaatshad in de vroege Middeleeuwen. Ik steeg op uit mijn lichaam en werd ontvangen door enkele van mijn monniken- broeders, die mij al waren voorgegaan naar de andere zijde. Ik koesterde mij aan hun vertrouwde verschijning en vriendschap. Ik steeg verder op naar een wereld van witte schoonheid, liefde en wijsheid. Ik ben daar wel een tijdje boven gebleven om te herstellen van mijn verdriet, en daar is toen het verlangen geboren om “de kerk te hervormen”, om rechtvaardigheid te brengen in de kerk, zodat het ware geloof de kans kreeg om daar vorm te krijgen en vreugde en verlichting te brengen onder de (gewone) mensen. Ik had heel sterk het gevoel dat dat de missie was van de kerk: zachtheid, liefde en zorgzaamheid voor het zwakkere en kwetsbare, respect voor al het levende in de natuur, troost en gemeenschapszin. Ik wenste dat deze waarden centraal zouden komen te staan in de kerk. Ik was in mijn wensen oprecht maar ook naïef. Ik had eigenlijk geen weet van het kwade. Ik had het idee dat de machtigen in de kerk het gewoonweg niet zagen en dat ik hen daarop zou kunnen wijzen, zoals een kind zijn ouders herinnert aan de schoonheid van de blauwe lucht of de verrukking van een opengaande bloem. Ik kende de corrumperende werking van macht nog niet en onderschatte dus ook het pantser waarbinnen de kerkelijke gezagsdragers opereerden. Mijn onschuld maakte mij tot een zuiver mens maar het werd ook mijn “valkuil”, omdat ik de weerbarstigheid en de moeizaamheid van het hele krachtenspel op aarde onderschatte.
Als ik verder terugkijk op dit leven, ‘zie’ ik dat het heel jammer is dat deze monnik het niet aandurfde de vrouw uit het dorp te benaderen. Had hij dit wel gedaan, dan was zijn tweede levenshelft heel anders geweest; de vrouw had zeer waarschijnlijk zijn liefde beantwoord, omdat ze zelf veel had meegemaakt (het huwelijk met haar gestorven man was moeilijk) en zich zielsverwant met hem voelde. Ik krijg het gevoel dat zij elkaar veel liefde hadden kunnen geven, en dat de monnik dan op een positieve manier had kennis gemaakt met sexualiteit; ik ‘zie’ zelfs dat ze nog een kind hadden kunnen krijgen, hoewel de vrouw al wat ouder was. De monnik had dan dat ‘goede gevoel’ wat hij nu alleen in de kerk had gevoeld, ook in het ‘gewone leven’ kunnen ervaren, en was dat zo geweest, dan was zijn focus na afloop van dit leven niet zo exclusief gericht geweest op het ‘hervormen van de kerk’; hij had dan gezien dat warmte en liefde niet persé door middel van de kerk verspreid hoefden te worden; en ook was hij door de omgang met deze door het leven getekende en wijs geworden vrouw minder naïef geweest. De in de tweede helft van
zijn leven vervatte belofte werd echter niet vervuld, en dat heeft voor mijn
gevoel veel te maken met de wijze waarop de monnik werd opgevoed. Als kleine
jongen was hij ‘anders’ dan de andere kinderen. Hoewel hij een stevige, uit de
kluiten gewassen jongen was, had hij een bepaalde gevoeligheid en zachtheid in
zijn manier van doen. Daardoor kon hij niet zo goed meekomen met de andere
kinderen. Het liefst was hij vaak en dicht bij zijn moeder. Hij voelde zich bij
haar vrouwelijke energie veilig. Maar zijn moeder reageerde hier nogal
ambivalent op. Aan de ene kant gedoogde ze het wel, aan de andere kant werd ze
er ongedurig van. Iets van: kom op jongen, ga nu de wereld in. Door deze
houding van haar, had de jongen het gevoel dat het ‘slecht’ was om op zijn
moeder (op vrouwelijke energie) terug te vallen. Die weg werd voor zijn gevoel
afgesloten en dat speelde later ook mee in zijn schroom t.a.v. de vrouw in het
dorp. Het ‘anders zijn’ van de jongen was voor zijn ouders ook de reden om hem
‘aan de kerk te geven’; de jongen kwam hiertegen niet in opstand
|
||||