|
|
De vurige strijdster voor rechtvaardigheid
(Zie voor de duidelijkheid het voorafgaande verhaal: Medicijnvrouw in een sneeuwlandschap).
Ik zie het beeld van een brandstapel: een hoop met takken en daarin een lange, donkerbruine, houten paal. Ik word ernaar toe gevoerd. Ik stribbel tegen, verzet me, ben kwaad. Maar dat helpt niet. Ik ben veroordeeld tot heks en dat betekent de dood.
Voorafgaand aan mijn terechtstelling op de brandstapel ben ik opgesloten in een
kelder, afgescheiden van mijn groepsgenoten. Ik ben lid van een groepering die ergens voor strijdt, tegen het gezag, waarschijnlijk tegen de Katholieke Kerk; ik voel een diepe haat tegen die Kerk. Met deze groep zitten wij regelmatig bijeen, terwijl we luisteren naar een leider in wit gewaad; veel van de aanwezigen dragen een wit gewaad, maar ik ben gekleed in eenvoudige kledij.
Ik ben vooral politiek bevlogen; ik strijd voor rechtvaardigheid en ben daarin zeer vurig en driftig.
Ik zie mezelf nu in een eenvoudige nederzetting met hutten. Er staat een groep mensen om mij heen. Ze verzamelen zich en horen mij aan, terwijl ik driftig aan het oreren ben. Ik wil hen ervan bewust maken hoezeer er misbruik van hen gemaakt wordt. Ik wil hen overtuigen van de slechte motieven van de gezagsdragers, hen duidelijk maken dat ze bedrogen worden en in opstand moeten komen. De mensen luisteren naar mij in een halfslachtige stemming; enerzijds bevestig ik vermoedens die ook al bij hen leven, anderzijds schrikken zij terug van mijn felheid. Ze zijn uiteraard bang om in opstand te komen, want dat kan hun de kop kosten.
Terwijl ik daar op de mensen sta in te praten, komen er soldaten die mij oppakken (vanwege mijn opruiende taal en stokerij). Ik word afgevoerd naar een gevangenis- ruimte in een vochtige kelder.
Tot aan de brandstapel toe blijf ik me verzetten en blijf ik kwaad. Pas als het vuur mijn dijbenen nadert - ik zit geknield en gekneveld - raak ik in paniek en besef ik opeens hoe alleen ik sta. Mijn groepsgenoten zijn van mij gescheiden. Er zijn in totaal drie brandstapels (behalve die van mij nog twee aan mijn rechterzijde) op een recht- hoekig plein waaromheen mensen zijn verzameld die toekijken op dit tafereel. Ik kan geen contact maken met de andere slachtoffers. Ik voel enorme, brandende pijn; door de rook krijg ik geen adem meer en verlies ik mijn bewustzijn.
Na mijn dood stijg ik omhoog en ontmoet ik twee lichtende figuren in het wit. De namen die bij mij opkomen zijn Paulus en Simon.
Opeens zie ik dat ik in dit leven eigenlijk meer politiek geinspireerd geweest ben dan spiritueel. Nu verschijnt het politieke aan mij als een relatief kleine bol, zandkleurig (een soort wereldbol?). Vervolgens zie ik het perspectief van het spirituele voor me als een enorme wit-schitterende bol, veel groter dan die politieke bol. Het wordt me duidelijk dat vanuit wijder spiritueel perspectief de zaken niet zo zwart-wit liggen en alles op een bepaalde manier z'n bedoeling of betekenis heeft. Dit verbaast mij, maar het vervult me ook met een soort verrukking.
Als ik bij Paulus en Simon sta, vind ik het moeilijk te bepalen wat ze tegen mij zeggen. Uiteindelijk maak ik eruit op dat Paulus zegt: "Het Licht zit in jou", en dat betekent op de een of andere manier dat ik er niet zo voor hoef te vechten als ik in het afgelopen leven heb gedaan. Simon heeft een wat humoristischer uitstraling; hij zegt vrolijk grijnzend: "Neem het wat Lichter".
(Later bedenk ik me dat dit natuurlijk een woordspeling is; "lichter" kan zowel "minder zwaar" betekenen, als "minder duister" )
Als ik me afvraag of Paulus en Simon mij nog meer te zeggen hebben, wijzen zij naar iets achter hen. Er verschijnt een tunnel; een witte ronde tunnel met wolkige wanden. Ik ga erin en er helemaal doorheen. Aan de andere kant kom ik eruit en ik "val" het heelal in. Het is een immense donkere ruimte met sterren erin. Het is leeg en tegelijk vol verwachting. Het is immens groot. Ik vind het niet onprettig om daar rond te zweven, maar ik voel me wel wat gedesoriënteerd. Op een gegeven moment tuimel ik naar beneden, naar de aarde toe. Ik beland op een pad, dat over de aarde loopt. Terwijl ik daaroverheen loop, zie ik de ronding van de aarde (alsof ik relatief groot ben t.o.v. de aarde). Ik wandel alleen op een wittig pad dat voert naar een immens grote zon; het is een enorme oranje schijf die voor tweederde zichtbaar is aan de horizon. De zon is veel groter dan je hier ooit op aarde zou kunnen zien.
Terwijl ik ernaar toe loop, krijg ik een onaangenaam gevoel in hart, alsof iets mij terughaalt. Als ik hier later aan terug denk, besef ik dat dat te maken heeft met het feit dat ik daar uitdrukkelijk alleen loop. Het woord wat dan bij me opkomt is 'neder- zetting'. Op één of andere manier is het niet goed dat ik daar zo alleen en voortvarend naar de zon toeloop; wat ontbreekt is het gemeenschappelijke. Ik denk dat het de bedoeling is dat ik mij 'nederzet', op aarde, met anderen, en dat wij dan gezamenlijk onze blik richten op deze zon. Dat geeft me ook een groter gevoel van vervulling.
© Pamela Kribbe www.pamela-kribbe.nl
|
|
|