|
|
Volgeling van Christus
In de laatste sessie van mijn therapie, ga ik nog eenmaal terug naar de beelden van Paulus en Simon, die ik in het verhaal van De vurige strijdster voor rechtvaardigheid tegenkwam.
Ik zie Paulus en Simon weer staan, nu meer als aardse personen. Dat wil zeggen, bij Paulus zie ik zijn onderlichaam tot en met zijn buik als een aards lichaam, daarboven is er alleen wit licht. Ik concentreer mij op dit stralende wite licht om de essentie ervan te proeven. Het is een heel scherpe, heldere (nuchtere), serieuze energie. Het heeft niets 'extatisch' of 'zweverigs'. Ik vraag Paulus of er iets is wat hij mij te zeggen heeft. Hij zegt mij dat het momenteel een overgangstijd op aarde is, en dat ik daarin zou kunnen fungeren als een gids. Ik vraag: 'wat moet ik dan doen?'.
Op dat moment begint Simon grappige/schertsende gebaren te maken, waardoor ik in de lach schiet. Het is omdat ik het woordje 'moet' gebruik! (een oude gewoonte!).
Ik zie dan - als antwoord van Paulus - een soort rupsachtige, beweeglijke, doorzichtige tunnel voor me, waardoor mensen een doorgang kunnen vinden. Zo zou mijn werk als gids eruitzien. Ik zou met mijn energie een soort doorgang of kanaal kunnen vormen waardoor mensen de oversteek kunnen maken naar een meer liefdevolle zijnstoestand. De energie die ik daarbij verstrek is doorzichtig/transparant en daarom bijna onzichtbaar; niettemin is zij duidelijk aanwezig. Het is een niet opdringerige, flexibele energie die ruimte biedt, rust en veiligheid uitstraalt, en op een zachte manier inspireert tot zelfliefde. Ik krijg het gevoel dat ik met deze overgangstijd toch meer te maken heb dan ik doorgaans denk.
Dit is wat Paulus mij te zeggen heeft. Nu wend ik mij tot Simon. Hij is een aardser figuur, en ik zie hem ook helemaal als een aardse persoon. Hij is van middelbare leeftijd en bijna helemaal kaal, met een ovaalvormig gezicht. Hij lacht kameraad- schappelijk naar mij en als ik tegenover hem sta krijg ik zo'n vertrouwd gevoel! Een gevoel van herkenning. Ik voel vriendschap voor hem. "Jij was er toch ook bij", zegt hij dan lachend tegen mij, "dat weet je toch nog wel!"
Ik voel mij opeens erg beschroomd en durf het bijna niet te denken. Was ik er dan echt ook bij, toen Christus op aarde was?
Ik vind het aanmatigend van mezelf om te geloven dat ik erbij was.
Maar dan ga ik toch kijken.
Ik zie eerst een rechthoekig wit doorschijnend plein, een beetje futuristisch, also er lichten in de tegels zitten. In één van de hoeken staat Christus, in een wit kleed.
Ik voel me weer beschroomd. Dan ga ik naar hem toe en zie zijn gezicht, met halflang donker haar. Ik zie zijn ogen. Het zijn blauwe ogen. Deze ogen hebben iets ongelooflijks. Ze spiegelen het hele universum. Alles is erin gespiegeld.
Nu concentreer ik me op wie ik was in dat leven. Ik zie nu dat ik behoorde tot Jezus' volgelingen; ik bevond me een beetje aan de rand van die groep. Ik was een vrouw. Ik moet heel sterk denken aan een verhaal uit de Bijbel. Dat verhaal gaat over twee vrouwen, Martha en Maria, die op een gegeven dag te horen krijgen dat Jezus hen komt bezoeken. Als Martha dat bericht hoort, begint ze als een razende het huis schoon te maken en de beste maaltijden te bereiden, zodat alles op orde is als Jezus arriveert. Ze heeft het er zo druk mee dat ze niet door heeft dat Jezus er al is. Hij zit in een hoekje met Maria te praten, die aandachtig naar hem luistert.
Ik heb het gevoel alsof ik Maria was, of iemand zoals die Maria.
Ik zie nu voor me dat ik in een halfschemerig vertrek zit, en dat Jezus in de deuropening verschijnt. Hij is enerzijds een witstralende gestalte en anderzijds ook een gewone aardse man. Ik sta op en loop op hem af. Ik krijg een onbeschrijflijk gevoel van nederigheid bij zijn aanwezigheid. Ik heb het gevoel dat ik wil knielen voor hem met mijn hoofd voorovergebogen op de grond, vervolgens dat ik plat op de grond wil liggen en dan nog heb ik de fysieke sensatie dat ik te hoog sta t.o.v. hem. Ik voel een enorm ontzag voor hem, maar het heeft niets onderdanigs. Hij pakt mijn handen en hij straalt een groot innerlijk licht uit. Zijn aanwezigheid is stralend. Terwijl hij tegenover mij staat concentreer ik mij op zijn energie. Ik ga er binnenin zitten. Van buitenaf gezien was de energie vooral lichtend en stralend van liefde. Binnen in die energie voel ik een diepe stilte. Wat me vooral opvalt is de enorme ernst van deze energie. Het is een heilige energie. Het is de energie die je om iemand heen voelt als hij/zij sterven gaat of die aanwezig is bij een geboorte. Het is een diepe, serene stilte, omgeven door een enorme ernst. Er zit niets frivools of zweverigs in. Het is ook een zeer sterk gefocuste energie. Wat eruit spreekt is een diepe concentratie, en tegelijk onvergelijkbare zachtheid. Die zachtheid is van een enorme kracht; ik kan mij voorstellen dat deze zachtheid juist ook als zeer streng ervaren kan worden, omdat ze compromisloos is. De liefde van Christus is radicaal.
Ik voel geen aandrang om met hem te spreken. Ik wil alleen maar in zijn energie zijn. Hem voelen. Als je dat eenmaal gevoeld hebt, raak je er niet meer van los. Wil je alles doen om bij hem te zijn. Het is een soort elixer, dat je dronken maakt, maar niet op een ongecoördineerde manier. Het tilt je uit boven alles, zodat alles minder zwaar wordt. Hij is altijd bij ons. Dat is het enige wat hij tegen mij zegt, herhaaldelijk: "Ik ben altijd bij jullie".
© Pamela Kribbe www.pamela-kribbe.nl
|
|
|