De spiritueel hoogontwikkelde nimf

Als ik terugga in de tijd, naar het punt waar de monnik zijn -mystieke- inspiratie had opgedaan, kom ik in een soort gymzaal terecht met een oranjerode vloer. Ik sta daar in een etherisch, blauw kleed in een soort meditatieve danshouding: op één been, voorovergebogen, met één arm sierlijk naar voren gestoken. Ik ben een jonge vrouw, Japanse, halflang zwart haar in een staartje, tenger gebouwd. Ik bevind mij daar in een spirituele orde, die gevestigd is op een bergplateau dat hoog en ver weg ligt van de ‘gewone wereld’. Ik zie mezelf ook buiten lopen, langs fijngesneden Japanse boompjes, en ik weet dat ik veel contact heb met de natuur. Dan zie ik het gezicht van mijn leermeester: het is een man van ongeveer 50 jaar, met een uitgesproken Japans gezicht, met goudbruine ogen, die een vriendelijke, rustige, geduldige uitstraling hebben. Van hem leer ik veel over het spirituele, innerlijke leven. Er is geen sexuele spanning tussen ons; wij hebben geleerd dat te verwerken en te transformeren in spirituele lichaamsbeweging, een soort heel verfijnde en sierlijke dansbewegingen.

Ik ontwikkel in dat leven een grote, diepe concentratie op mijn innerlijk. Daardoor ontstaat in mij het vermogen tot verfijnde waarneming, van de natuur en van mensen. Doordat geestelijke ontwikkeling in deze orde (“Kyoto”?) wordt gecombineerd met lichamelijke dansmeditatie, ontstaat er een goede, evenwichtige ontwikkeling; het is niet zo dat er sexueel-lichamelijke frustratie wordt opgepot.

Ik voel me heel veilig en beschermd in deze orde, afgezonderd van de ‘groffere’ wereld. Het is de 3e eeuw, voor Christus geloof ik. Ik kom met de gewone werkelijkheid nauwelijks in aanraking en heb ook niet het gevoel dat ik daar iets mee moet. Ik heb het gevoel dat mijn eigen geestelijke ontwikkeling mijn hoogste prioriteit is en daar leg ik me op toe. Ik boek daarin ook behoorlijke vooruitgang. Er ontstaat echter daarin ook een soort egoïsme, en een soort minachting voor ‘gewone mensen’. Ik begrijp niet waarmee zij zich bezig houden en heb ook niet het gevoel dat het belangrijk is mij daarin te verdiepen. Ik ben op mijzelf gericht, op mijn groei. Dat is ook de moraal van de orde waarin ik leef. Ik betwijfel het gezag van die orde niet en beschouw hun zienswijze als de waarheid. Hun wereldbeeld is voor mij gewoon vanzelfsprekend. Ik geef zelf later ook les aan leerlingen en ben vast overtuigd van mijn zienswijze. Ik ontwikkel een spirituele arrogantie, maar ben mij daarvan niet goed bewust. Veel wijsheid, maar weinig warmte en medeleven. Mijn sympathie ging uit naar leergierige leerlingen - voor hen had ik veel aandacht en geduld -, mijn bewondering naar vergevorderde meesters. Ik had geen sexuele relaties, geen kinderen of partner. Ik miste dat ook niet want ik voelde mij geborgen binnen de orde; dat was mijn familie. 

Mijn sterven was als mijn leven; ik stierf - rond m’n 50ste - met veel kennis van zaken, ik wist wat het stervensproces inhield, maar alles was omgeven met een soort kilheid; het had iets klinisch. Ik bleef emotioneel ‘onaangeraakt’ in dat leven, kende niet de extremen van wanhoop en vreugde, van verliefdheid en verlatenheid, van angst en diepe rouw, en daardoor bleef de ontwikkeling van mijn hart (naastenliefde, compassie) achter bij de ontwikkeling van mijn geest (derde oog).


© Pamela Kribbe
www.pamela-kribbe.nl




Lijn in regenboogkleuren