De sexueel misbruikte vrouw

In het leven dat ik vervolgens te zien krijg, kom ik op niet mis te verstane wijze in contact met de ‘groffe’, gewone werkelijkheid. Het eerste beeld dat ik zie is van een vrouw, een jaar of 25, die weggedoken zit in de hoek van een vieze, donkere schuur of stal. Ik ben slank en pezig, heb een blanke huid, kort bruin haar en bruine ogen. Ik voel angst in mijn buik. In de deuropening verschijnt een modderfiguur.

Als ik door de modder heen kijk, zie ik het gezicht van een man van ongeveer 42 jaar, bruine ogen met een valse uitdrukking, gelige tanden en hij stinkt. Hij is van kwade zin en hij is niet aanspreekbaar voor mij want hij is onderontwikkeld. Ik kan niet van persoon tot persoon met hem praten. Hij is een soort opzichter, hij komt uit het gewone volk maar heeft zich door zijn geslepenheid omhoog weten te werken tot een min of meer machtige positie in die dorpsgemeenschap. Hij zit vol agressie en frustratie. Hij is grof. Ik ben bij hem en zijn gezin ‘in dienst’ als een soort huishoudster. Ik woon daar ook (in de schuur). Hij vindt het heerlijk om mij als een soort sloof te gebruiken want hij ziet aan mij dat ik hem ergens minacht. Ik ben hoger ontwikkeld, maar die ontwikkeling stamt niet uit dit leven, het komt van daarvoor. Ik leef nu in een feodaal tijdperk (ongeveer 13e eeuw?) waarin de positie van de vrouw volstrekt van ondergeschikt belang is. Ik kan niet weg uit dat huishouden. Ik kom zelf uit een eenvoudig gezin waarin niet veel aandacht voor mij was. Mijn geestelijke ontwikkeling en de daarbij horende arrogantie zijn aangeboren en worden door die opzichter geïnterpreteerd als een trots die hem tart. Hij verkracht mij regelmatig. Ik vind dat smerig en voel een diepe weerzin tegen hem. Ik probeer me ervoor af te sluiten, maar het diepe gevoel van vernedering kan ik niet uit mijn bewustzijn sluiten. In het begin ben ik nog groen en kwetsbaar en roepen de verkrachtingen pijn, verdriet en een diep onbegrip op. Later - in de loop der jaren - raak ik innerlijk versteend en verkrampt. Ik ontwikkel een diepe haat tegen hem en probeer wraak te nemen door hem psychologisch te manipuleren. Zijn ego is zijn zwakke plek en ik manipuleer hem op het gebied van zijn maatschappelijke positie. Zo oefen ik indirect invloed uit op zijn handelwijze als opzichter en verkrijg ik ook wat macht binnen het gezin. Emotioneel ben ik heel eenzaam. Omdat hij eigenlijk de enige mens is die ik ken, begin ik in de loop der jaren, als ik ouder word, te hopen van hem wat liefde te ontvangen. Soms zit ik in die schuur zelfs op hem te wachten. Als hij dan binnenkomt om zijn sexuele lusten op mij te botvieren, hoop ik dat hij tijdens het lichamelijke contact wat genegenheid voor mij zal tonen, voor mij als persoon. We wonen nu immers al zo lang onder hetzelfde dak. Maar dat doet hij niet. Hij heeft sexuele gemeenschap met mij in het stro, staat daarna op en loopt gewoon weg, zonder mij een blik te gunnen. Ik blijf daar dan liggen en voel mij intens vernederd en teleurgesteld. Elke keer weer hoop ik toch op wat liefde, want ik ben zo vreselijk eenzaam van binnen. Ik vind de lichamelijke sex nu niet eens zo erg meer, en beleef er stiekem genot aan - een heel ambivalent soort van genot, nl. een vorm van sexueel genot die heel sterk verweven is met onderdanigheid en macht. Alleen na afloop van de sex voel ik me intens vernederd, vies en alleen. Ik ben eigenlijk een opgejaagd dier dat heel eenzaam is en snakt naar een beetje liefde, of tenminste dat ik als een persoon wordt gezien. Ik krijg geen kinderen. Zijn vrouw gaat op een gegeven moment dood maar ik blijf gewoon de bediende. Nadat hij sterft blijf ik in dat huis wonen, nog eenzamer. Misschien ben ik bij zijn - inmiddels volwassen - kinderen in dienst (?). Op het moment dat ik sterf ben ik alleen in dat huisje (het bevat een eetgedeelte, met daarachter een kleine zitruimte) en krijg ik een hartaanval of iets waardoor ik in heftige ademnood kom en geen lucht meer binnen kan krijgen. Ik zie mezelf tegen de muur van het zitgedeelte langzaam en schokkerig in elkaar zakken. Ik ben begin zestig. Ik ben eenzaam en verhard. Er is niemand van wie ik afscheid hoef te nemen en niemand die mij zal missen. Ik zie dat mijn ogen uitpuilen en dat ik sterf. Als ik uit mijn lichaam kom zijn er engelen die mij opvangen maar ik ben niet ontvankelijk voor hun zachte liefde en troost. Ik kom verstijfd en verkrampt uit dit leven en er hangt een diepe grauwheid en depressiviteit om mij heen. Ik ben verkild en in mijn hart is geen warmte of licht meer. Wel zit er gestolde woede. En er blijft na afloop van dit leven een heel gevaarlijk residu in mij aanwezig: het enige waaraan ik namelijk een vorm van ‘geluk’ ontleende in dat leven is aan sex vermengd met macht. Ik kwam uit dat leven met een heel verwrongen opvatting van sexualiteit. Gecombineerd met de haat die in mij was gegroeid over de vernederingen die ik had ondervonden en de - fysieke en emotionele - afhankelijkheid die ik had ontwikkeld t.a.v. die opzichter, legde dat de kiem in mij voor een kille wreedheid, die in andere levens tot uiting zou komen.


© Pamela Kribbe
www.pamela-kribbe.nl





Lijn in regenboogkleuren