De fanatieke schriftgeleerde


Ik ben een man van ongeveer 45 jaar. Het is de 16e of 17e eeuw. Ik loop rond in een wit kleed met een goudbruin koord om mijn middel. Ik lijk een beetje op Harrison Ford (!), goed gebouwd, gespierd, donkerblond haar, en donkerbruine ogen, die fanatiek en driftig kunnen kijken. Ik ben een schriftgeleerde en geestelijke, maar ik breng ook veel tijd door 'in de wereld', waar ik veel praat en debatteer in redelijk hoge kringen. Ik ben bevlogen over mijn religieus-maatschappelijke ideeën en ik ben intellectueel goed ontwikkeld, a.g.v. een goede scholing (klooster, Jezuïeten?) en een aangeboren scherp verstand. Ik leef aanvankelijk in België, maar door mijn vurige bevlogenheid creëer ik onrust in mijn omgeving; er gebeurt daardoor iets met mijn moeder. Ik krijg het weer aan de stok met de hoge geestelijkheid. Ik zie een ruime kamer voor me waarin ik in debat ga met de gezagsdragers, hun met al mijn vuur probeer te overtuigen, maar ik besef niet dat het hun niet om de waarheid gaat, maar om hun eigen positie. In die zin ben ik met al mijn scherpe redeneringen nogal naïef. Ik word door deze gezagsdragers de deur gewezen en verbannen naar Spanje. Dit verbittert mij enorm.
In Spanje woon ik (ergens in het zuid-westen) afgelegen in een ruim wit gebouwen- complex met een grote vierkante binnenplaats. Ik zie een beeld waarin ik daar op mijn kamer zit en naar buiten kijk. Ik zie daar een jonge Spaanse vrouw in de namiddagzon spelen met haar kind, een kleine jongen. Beiden hebben een zachtbruin getinte huid en donkere ogen. Wat mij treft is hun onschuld, de onschuldige intimiteit die ze uitstralen in hun onbekommerde dagelijkse bezigheden. Ik voel dat dit iets is waar ik niet bijkan. Ik ben in mijn hoogbevlogen idealisme steeds voorbijgegaan aan de gewone, simpele dingen. Ik kan eigenlijk niet echt genieten van simpele geneugten in dit leven, omdat mijn 'morele missie' zwaar op mijn schouders drukt. Ik voel mij geroepen 'het kwaad' met vuur en vlam te bestrijden. Ik word verteerd door dit innerlijk vuur. Daardoor ben ik weinig ontspannen en sta ik nauwelijks open voor gevoelsmatige contacten met andere mensen, bijvoorbeeld vrouwen. Ik heb weinig geduld voor hun weekheid, hun 'niet ter zake doende' gevoelens en grillen. Het is niet zozeer dat ik vijandig ben t.a.v. vrouwen, het is meer zo dat ik ze niet zie staan. Ik ben erg gefocust op de geest in dit leven.
Mijn leven eindigt in Spanje en in de laatste fase van mijn leven ben ik verbitterd en ook erg solitair, want behalve enige sporadische contacten met vroegere kennissen zie ik niemand meer - behalve het Spaanse volk om mij heen. Ik beleef mijn eenzaam- heid echter niet zo emotioneel als de misbruikte vrouw, het is meer zo dat ik mij onbegrepen voel en dat dat mij nog steeds driftig kan maken. Door mijn vuur ben ik gevoelsarm geworden. Ik verlang niet zozeer naar menselijk contact alswel naar 'genoegdoening': dat de mensen inzien dat ik gelijk heb.
Ik ben in dit leven vurig en principieel, maar ik ben niet uit op macht. Ik bedoel het op mijn manier goed. Wel zit er diep in mij een grote woede; dat is de motor van het vuur. Het lijkt wel of ik onbewust weet dat 'het kwade' allang in mij zit, dat het bij mij binnengeslopen is (waarschijnlijk tijdens het leven van sexueel misbruik), en in mijn buik genesteld zit als een opgerolde slang die ongemerkt zijn kop opsteekt wanneer je hem niet uit alle macht onderdrukt. Ik denk dat het dit onbewuste besef is wat mij doldriftig maakt: ik haat het kwaad (in mij) en wil het verdelgen.
Mijn woede en verbittering zijn aan het einde van mijn leven nog steeds in mij aanwezig, maar wel is het zo dat ik inzie dat het beeld van die spelende moeder met kind mij iets heel belangrijks zegt. Met enige verbazing zie ik dat dit beeld van onschuld en dagelijkse intimiteit de sleutel vormt tot wat ik mis, een sleutel die ik gewoon voorbijgelopen ben. Ondanks mijn scherpe verstand hebben de vrouw en het kind een natuurlijke gratie en wijsheid die ik ontbeer. Dit stemt mij mismoedig en doet mij voor het eerst twijfelen aan mijn heilige principes. Zou het dan toch allemaal anders in elkaar zitten? Ik weet dat ik dat in dit leven niet meer zal uitvinden. Ik sterf met deze combinatie van woede en twijfel in mijn geest.




© Pamela Kribbe
www.pamela-kribbe.nl




Lijn in regenboogkleuren