De heerszuchtige vorstin
Het was in de late Middeleeuwen. Ik had weer een vurig temperament maar dit keer had ik geen illusies omtrent de Kerk. Gedesillusioneerd als ik was daaromtrent, ging ik mijn vuur nu op werelds niveau toepassen, en liet ik mij aan hooggestemde idealen weinig gelegen liggen. Ik was een koningin, aan een Frans hof, en ik had reële macht. Ik zie mezelf door donkere, vochtige gangen lopen in mijn paleis, en ik zie ook een soort ruimte waar publiek zit. De mensen daar zitten om een soort podium geschaard, en daarop zit ik: in een zijden, vorstelijk gewaad, ingesnoerd bij middel, maag en borst, zoals dat in die tijd gewoonte was. Ik draag een witte pruik met krullen en mijn gezicht en borst zijn wit bepoederd. Het lijkt erop dat ik niet veel buiten kom. Ik heb een fijn besneden gezicht: kleine, donkerbruine ogen (een beetje venijnige kraalogen), een klein neusje, en smalle, roodgeverfde lippen. Ik heb dik, vlasblond, stijl haar maar meestal draag ik (in publiek) een pruik.
Ik denk dat ik in dit leven aan mijn einde kom op een niet natuurlijke wijze: door intriges die ik niet tijdig heb voorzien en kunnen voorkomen, word ik op een gegeven dag overvallen door een groepje mannen uit het volk, dat mijn paleis binnendringt. Ik word van mijn troon gesleurd - ik voel een machteloze woede gepaard aan grote schrik; mijn paranoïde angstbeelden worden nu waar -, naar buiten, iedereen trekt aan mij, het volk is buiten zinnen van woede. Er is niemand die mij te hulp komt. Ik word naar een schavot geleid en onthoofd. Het is een staande, licht-houten rechthoek op een licht houten blok met een grijs, groot mes aan de bovenkant dat neervalt op mijn hals. Ik voel een intense angst, maar het gaat allemaal heel snel. Ik zie mijn hoofd liggen. Bloed stroomt eruit. Even lijkt het alsof ik nog in mijn lichaam zit, terwijl mijn hoofd er al af is. Waar zit ik nu, vraag ik me af, in mijn romp of in mijn hoofd. Ik voel dat mijn romp verlamd is. Dan stijg ik omhoog, uit die scene, en zie mijn in tweeën gehakte lichaam liggen, een uitzinnige volksmassa erom heen. Ik stijg omhoog, voel aanvankelijk niks. Dan voel ik woede om degenen die mij verraden hebben. In mijn hoofd ratelen de gedachten; hoe is het gegaan en wie was het en hoe had ik het kunnen voorkomen. Ik word door deze gedachten geabsorbeerd en let niet zo op de gidsen die mij wenken en die me proberen uit te leggen dat dit aardse leven nu ten einde is gekomen en dat het nu tijd is de balans erover op te maken. Ik ben niet echt toe aan zelfreflectie. Ik word geabsorbeerd door gevoelens van woede, angst, wrok en machteloosheid. Deze neem ik mee mijn volgende leven in. Bij het kiezen daarvan ben ik me niet echt bewust van het grotere perspectief van mijn ziel. |
||||