De heerszuchtige vorstin


Het was in de late Middeleeuwen. Ik had weer een vurig temperament maar dit keer had ik geen illusies omtrent de Kerk. Gedesillusioneerd als ik was daaromtrent, ging ik mijn vuur nu op werelds niveau toepassen, en liet ik mij aan hooggestemde idealen weinig gelegen liggen. Ik was een koningin, aan een Frans hof, en ik had reële macht. Ik zie mezelf door donkere, vochtige gangen lopen in mijn paleis, en ik zie ook een soort ruimte waar publiek zit. De mensen daar zitten om een soort podium geschaard, en daarop zit ik: in een zijden, vorstelijk gewaad, ingesnoerd bij middel, maag en borst, zoals dat in die tijd gewoonte was. Ik draag een witte pruik met krullen en mijn gezicht en borst zijn wit bepoederd. Het lijkt erop dat ik niet veel buiten kom. Ik heb een fijn besneden gezicht: kleine, donkerbruine ogen (een beetje venijnige kraalogen), een klein neusje, en smalle, roodgeverfde lippen. Ik heb dik, vlasblond, stijl haar maar meestal draag ik (in publiek) een pruik.
Ik ben heerszuchtig, en ook ongeduldig. Mensen zijn bang voor mij maar lachen mij achter mijn rug om ook uit. Ik ben eenzaam; er is geen man naast mij; ik denk dat mijn echtgenoot een stuk ouder was dan ik en al is overleden. Ik ben een jaar of veertig. Ik ben er op bedacht de touwtjes in handen te houden en daarom wil ik graag van alles op de hoogte zijn. Ik ben daarin behoorlijk paranoïde. Maar het is ook niet makkelijk om een landgoed te besturen, terwijl je niet helemaal zicht hebt op hoe het er daarbuiten aan toegaat. Als vorstin kun je je niet overal vertonen en dus moet je je verlaten op bepaalde vertrouwelingen. Daarvan heb ik er ook een paar, maar echt vertrouwen doe ik ze nooit. Deze hooggeplaatste mannen zijn er immers ook alleen op uit hun macht te vergroten. Ook heb ik verscheidene minnaars; daarmee ben ik op mijn kwetsbaarst, want in deze contacten kan ik mijn behoefte aan liefde en warmte niet geheel onderdrukken. Maar wat ik in eerste instantie van mijn -vaak jongere- minnaars verwacht is lichamelijk genot, complimentjes en vleierijen, en onvoorwaar- delijke gehoorzaamheid. Daarvoor in ruil krijgen zij uitzicht op een betere maat- schappelijke positie. Ik ben echter nogal grillig in het nakomen mijn beloftes; soms kom ik ze gewoon niet na, om te laten zien dat ik nog steeds onafhankelijk ben, en om te laten zien dat ik onbetwist degene ben die aan de touwtjes trek. Ergens ben ik ook wel bang om mijn minnaars politieke macht te geven; ze zouden zich tegen mij kunnen keren.
Normaal gesproken opereer ik altijd met een masker op, en toon ik weinig tot geen compassie met de mensen om mij heen of de arbeiders op het landgoed. Mijn politiek is hardvochtig maar ik maak mezelf wijs dat ik alleen maar rechtvaardig ben.

Ik denk dat ik in dit leven aan mijn einde kom op een niet natuurlijke wijze: door intriges die ik niet tijdig heb voorzien en kunnen voorkomen, word ik op een gegeven dag overvallen door een groepje mannen uit het volk, dat mijn paleis binnendringt. Ik word van mijn troon gesleurd - ik voel een machteloze woede gepaard aan grote schrik; mijn paranoïde angstbeelden worden nu waar -, naar buiten, iedereen trekt aan mij, het volk is buiten zinnen van woede. Er is niemand die mij te hulp komt. Ik word naar een schavot geleid en onthoofd. Het is een staande, licht-houten rechthoek op een licht houten blok met een grijs, groot mes aan de bovenkant dat neervalt op mijn hals. Ik voel een intense angst, maar het gaat allemaal heel snel. Ik zie mijn hoofd liggen. Bloed stroomt eruit. Even lijkt het alsof ik nog in mijn lichaam zit, terwijl mijn hoofd er al af is. Waar zit ik nu, vraag ik me af, in mijn romp of in mijn hoofd. Ik voel dat mijn romp verlamd is. Dan stijg ik omhoog, uit die scene, en zie mijn in tweeën gehakte lichaam liggen, een uitzinnige volksmassa erom heen. Ik stijg omhoog, voel aanvankelijk niks. Dan voel ik woede om degenen die mij verraden hebben. In mijn hoofd ratelen de gedachten; hoe is het gegaan en wie was het en hoe had ik het kunnen voorkomen. Ik word door deze gedachten geabsorbeerd en let niet zo op de gidsen die mij wenken en die me proberen uit te leggen dat dit aardse leven nu ten einde is gekomen en dat het nu tijd is de balans erover op te maken. Ik ben niet echt toe aan zelfreflectie. Ik word geabsorbeerd door gevoelens van woede, angst, wrok en machteloosheid. Deze neem ik mee mijn volgende leven in. Bij het kiezen daarvan ben ik me niet echt bewust van het grotere perspectief van mijn ziel.



© Pamela Kribbe
www.pamela-kribbe.nl





Lijn in regenboogkleuren