Het concentratiekamp-slachtoffer (beeld I)


Ik ga dood in 1944 - dit was een keerpunt - ik was op dat moment niks meer: er was geen vreugde, geen haat, niks, alleen de ervaring van mijn volstrekte 'nichtswürdig- keit'. Ik was geen mens meer, alleen een schaduw van een schaduw. Ik zwerf eenzaam rond door het concentratie-kamp, langs gerold prikkeldraad op de hekken, kale grond, barakken, koud, kil, ik ben kaalgeschoren en broodmager, een soort skelet eigenlijk met knakige botten, ik ben een vrouw maar dat maakt niet uit; ik ben te levenloos om nog verkracht te worden, er wordt alleen nog tegen mij aangetrapt. Ik zie mezelf op de grond liggen en een laars of hoge schoen trapt tegen mijn schedel; er verschijnt dan wat bloed; heel vreemd dat menselijke rood in die volstrekt ontmenselijkte omgeving, en ik raak bewusteloos, ik voel me daardoor niet vernederd of verwond want ik ben er nauwelijks meer; mijn levenskracht is alleen nog een hele stille windvlaag.
Ik ben aan het Einde van mijn reis door de materie, ik ben nu het verste weg van mijn oorsprong, verder kan niet, of anders Ben Ik niet meer, ik kom op het keerpunt; ik ben het verst denkbaar verwijderd van God, ik ben doodstil van binnen en daarmee kom ik eindelijk weer dicht bij huis - bij de stilte van God - na dit leven wordt het nooit meer zo erg; mijn vuur is op het laagste punt, één windvlaagje en het sterft weg, ik kan niet meer vechten, ik geef me over, als ik sterf is het slechts een wegglijden in een diepe stilte.
Na mijn dood word ik aan de andere kant verpleegd en verzorgd door gidsen, bege-leiders en engelen, maar het duurt lang voordat ik weer een teken van leven geef.
Mijn woede en haat zijn ook gedoofd; ik wil geen wraak meer, ik wil niet meer overtuigen, ik wil alleen maar in de stilte Gods zijn, verder wil ik helemaal niets meer. Al mijn agressie is verdwenen maar ook al mijn levenskracht.

Ik wil niet meer




Het concentratiekamp-slachtoffer (beeld II)


Ik zie een stuk van een bos, met een breed pad tussen twee bomenrijen. Ik volg het pad, dat zwart is (zwarte modder?). Het is herfstachtig. Het pad voert mij naar een diepe, grote kuil in het bos. Daarin liggen skeletten; witte botten en beenderen, zonder vlees eraan. Ik sta aan de rand van de kuil en kijk ernaar.
Als ik me voorstel wie de mensen waren die bij deze botten horen, zie ik ze allemaal in een rij staan, met kleren, jassen & tassen, met elkaar pratend. Doet me denken aan 30-er of 40-er jaren. Ik zie een middelbare vrouw met een warmbruine bontjas aan en een hoedje op, zwart-grijs haar in lage knot, blauwe ogen, pratend met haar buren; ze is van een goed burgerlijk milieu.
Dan zie ik mezelf, een jonge vrouw (ongeveer 35 jaar), redelijk lang, tenger, licht gekromde rug, met een hoedje en lange rok, twee kinderen aan de hand, een jongen van ongeveer 12 jaar en een meisje van 5 jaar. Ik ben een joodse vrouw en kom uit een goed burgerlijk milieu in Duitsland. Ik heb grote blauw ogen, die hulpeloos kijken (op een ietwat tergend smekende manier), zwart haar in een kort kapsel. Ik ben een beetje bangelijk; ik ben iemand die me makkelijk aanpast en alles zo'n beetje volgens de maatschappelijke regels doet. Bang om op te vallen. Ik weet dat ik uit een goed milieu komt en dat stelt me gerust. Het is niet zozeer dat ik daar prat op ga, het is meer zo dat ik me daardoor beschermd voel. Ik ben getrouwd maar heb niet zoveel contact met mijn man. Die is wat afstandelijk, net zo conformistisch als ik, en veel bezig met zijn werk. We hebben twee kinderen, en daar houd ik me het meest mee bezig. Ik wil graag dat ze goed terecht komen, ik ben zorgzaam voor hen - ook een beetje pietluttig. Ik ben namelijk een bangig, nerveus type, eigenlijk een beetje een wezel. Ik laat weinig van mezelf zien, en schuw heftige gevoelens. Daarom ben ik enigszins een "flat character".
In de jaren 30, wanneer Hitler aan de macht komt, bezien wij de ontwikkelingen wel met schrik, maar wij geloven niet dat wij rechtstreeks gevaar lopen. Wij menen door onze goede burgerlijke positie beschermd te zijn. We zijn goedgelovig en niet kritisch ingesteld. We zijn wel beschaafd en redelijk ontwikkeld, maar t.a.v. het politieke zijn we erg naïef. Op een gegeven moment worden wij, ons gezin, ook opgepakt. In 1941 worden we op de trein gezet. Naar Birkenau in Polen. Op het perron word ik van mijn man gescheiden. Ik zie hem in de menigte verdwijnen. We zijn bang maar we denken dat we elkaar wel weer terugzien. We denken; "dit moet een vergissing zijn; wij zijn zulke goede, betrouwbare burgers; deze vergissing zal gauw ongedaan gemaakt worden". Ik word met mijn kinderen in de trein gezet. Als ik me in trance afvraag waarheen, zie ik de woorden voor me: "Auschwitz Birkenau", maar ik zeg: "Birkenau". Wanneer ik het later opzoek, zie ik dat er twee kampen zijn geweest, Auschwitz I en Auschwitz II (= Birkenau) die dicht bij elkaar lagen. Ik zat dus in Birkenau. Na aankomst stonden wij vrouwen allemaal op een rij met onze kinderen. Toen kwamen er mannen in legergroene pakken met laarzen en petten - 'Gestapo' is het woord dat in me opkomt - en die pakken ons onze kinderen af. Mijn kinderen krijsen als ze van me af worden getrokken. Ik ben verstijfd; ik begrijp niet wat er gebeurt. Dit kan niet waar zijn, ze brengen mijn kinderen later vast weer terug. Ik heb het gevoel dat er een groot, scherp mes dwars door mij heen snijdt, van boven naar beneden door mijn hele romp heen. Als ze uit het zicht verdwijnen val ik op mijn knieën en stort in. Maar ik kan niet echt huilen. Meer een droge snik is het, alsof ik uiteen wordt gescheurd.
Later, in het kamp, is dat het enige waar we over praten en waar we in ons hoofd mee bezig zijn: waar zijn onze kinderen en hoe gaat het met hen. Alle vrouwen zijn daardoor geobserdeerd en dat houdt ons nog levendig in de erbarmelijke omstandigheden waarin we leven: kou, honger, vitaminegebrek, tochtige, koude barakken van donkerbruin hout. We moeten werken, hard werken, dwangarbeid is het, ik weet niet precies wat (iets met naakte lijken in een grote, donkerbruine schuur). We denken alleen maar aan onze kinderen. Verschillende berichten sijpelen binnen, dan weer positief, dan weer negatief, horrorverhalen over mishandeling en vuurovens. Mijn hart verkrampt van ellende en angst om wat er met mijn kinderen aan de hand zou kunnen zijn. Ik kan het bijna niet dragen. De gedachte dat zij zo onbeschermd daar ergens leven, temidden van al dat gruwelijke, onbegrijpelijke kwaad, is voor mij onverdraaglijk. Het is ook onbevattelijk voor mij. Wij hebben hen (de Duitsers) toch niets misdaan; altijd braaf geleefd en ons best gedaan. Maar na verloop van tijd slijt het idee 'dat het een vergissing is'. Blijkbaar is er gewoon zoiets als het 'absoluut kwade'; en wij zitten er midden in. Nooit rekenen op compassie of een klein brokje menselijkheid. Altijd uitgaan van het slechtste, het laagste. Al die haat en agressie tegen ons, waar komt het toch allemaal vandaan. Het verbijstert mij. Ik zit in totaal drie jaar in het kamp. Na verloop van tijd sterven veel van mijn mede-kampbewoners om mij heen, aan ziekte, of ze worden afgevoerd en verdwijnen op mysterieuze wijze. Geruchten over gaskamers komen langzaam op gang tot we het na een jaar of anderhalf wel zeker weten. Ironisch genoeg blijf ik leven, ik als zwakke, tengere bangeling. Mijn gezondheid blijkt opeens taai en sterk, terwijl ik om het leven nauwelijks meer geef. Na twee jaar is de hoop dat ik mijn kinderen zal weerzien zo goed als vervlogen. We weten niks definitief, zoals alles onzeker is in het kamp. Maar ik raak in mijn gevoel te afgestompt om nog te kunnen hopen. Ik sterf innerlijk langzaam af. Elke dag die vernederingen, die ontberingen, lichamelijk: kou, honger, altijd onveilig zijn, en geestelijk; steeds maar weer te horen krijgen dat je niets bent, ongedierte, het nauwelijks waard om nog rond te kruipen, je zou eigenlijk gewoon doodgetrapt moeten worden ware het niet dat de Duitsers ons in hun goddelijke genade nog even lieten leven. Ik loop daar nog rond als een schijndode, een wit doorschijnend botachtig wezen, kale schedel, lege ogen. Ik struin de kale vlakte in het kamp af naar iets eetbaars. Het is er nu al erg leeg. Ik denk dat het april 1944 is als ik dan eindelijk naar de gaskamer word gevoerd, samen met een stuk of dertig/veertig andere vrouwen die nog zijn overgebleven uit het werkkamp. We gaan naakt naar binnen in een witte, half ondergrondse (?) ruimte. Een dof gevoel van angst in mijn buik. Nu gaat het dus gebeuren. Ik ga snel in een hoek staan, zodat ik tenminste nog wat ruimte voor mezelf heb. Mannen in groene legerpakken, die er heel netjes uitzien, jagen ons naar binnen. Ik sta dan in de hoek, een naakt skelet, mijn ellebogen een beetje afwerend van mij af; in een staat van halfbewustzijn, maar wetend dat ik ga sterven. Sommige vrouwen beginnen nu te schreeuwen, opeens toch gegrepen door paniek en doodsangst. Ik concentreer me op mijn eigen plek in die hoek; sluit me af voor hun angstgegil maar tegelijk voel ik medelijden en treurnis in mijn hart - dat het zo ver gekomen is met ons. Dat we tot deze absolute bodem zijn weggezakt. Maar ik weet dat de dood de enige uitweg is. Zo kan het niet meer. Er is geen mogelijkheid tot leven meer. Ik voel me eigenlijk ook teveel. Ze hebben gelijk, de Duitsers, ik ben nichtswürdig, en als niemand van de mijnen meer leeft, waarom zou ik dan nog?
Op een gegeven moment gaan de doucheknoppen (in het plafond, er zijn er meerdere, om de vierkante meter of zo) 'aan' en verspreidt zich de gaslucht, onzichtbaar, hoewel ik meen het te kunnen zien. De paniek intensiveert zich hoewel veel vrouwen zich in dezelfde matte bewustzijnstoestand bevinden als ik. Ik ben nu 38 jaar; ik heb drie jaren in Birkenau in het werkkamp gezeten. De dood treedt na 3-5 minuten in. Ik krijg geen adem meer en word misselijk. Even voel ik nog scherp in mijn maag de doodsangst. Dan zak ik langzaam weg, door mijn knieën, totdat ik ineengevouwen in mijn hoekje op de grond zit, dood. Een bundel licht valt op mij vanuit de hemel, en daarin stijg ik op naar de andere kant. Onderweg zie ik op een afstandje mijn kinderen staan, in bruine jassen. Ze kijken naar mij, ze zijn in redelijk goede doen. Maar ik passeer hen zonder gevoel. Ik ben innerlijk afgestorven en kan het niet opbrengen naar hen toe te gaan; ik heb geen emoties meer. Ik ga verder naar boven en beland in een verpleegruimte. Daar word ik verzorgd, door gidsen, begeleiders en engelen. Ik lig in een hoog, wit ziekenhuisbed, ik ben helemaal doorschijnend en verzwakt.

In trance stel ik me voor dat, na een periode van hersteltijd, een speciale gids met mij komt praten. Hij staat voor me in een lang blauw kleed. Zijn/haar gezicht kan ik niet zien; er zit een donkergrijze wolk omheen. Maar 'hij' heet Meüs. Hij steekt zijn beide handen naar mij uit en ik leg mijn handen in de zijne, als begroeting. Wij omarmen elkaar. Ik krijg een blij gevoel in mijn hart. Maar ik voel me ook erg zwak, dus ga ik weer zitten op mijn ziekenhuisbed, en hij gaat naast me zitten.
"Je hebt veel meegemaakt", zegt hij. "Neem rustig de tijd om weer aan te sterken". En,verwijzend naar wat er met mijn kinderen is gebeurd: "Je hoeft niet alles te begrijpen op het moment dat het gebeurt".
Dan neemt hij me mee naar buiten. We staan op een pad dat naar een berg voert, een grote, witte berg, die voorlopig bedekt lijkt te zijn door een egale, glanzende witte mantel. "Dat is het Beloofde Land", zegt Meüs, terwijl hij wijst naar de Berg. Opeens moet ik lachen, want ik zie dat het op aarde ligt! Wie had dat nu kunnen denken?! De Berg: daarin komen hemel en aarde samen, dat is het Paradijs. "We gaan er samen aan bouwen", zegt Meüs, en: "we hebben je nodig." Ik reageer een beetje ongelovig; "wat moet ik dan doen?"
"Breng liefde onder de mensen", zegt Meüs, "en wijs hen de weg". Ik krijg een zacht gevoel in mijn innerlijk.

De sprong in mijn huidige leven; angst voor incarnatie

Voordat ik in dit leven incarneer, zie ik mezelf in een sfeer van wit licht. Ik zit in kleermakerszit, in een wit kleed en voor mij zit Meüs in een blauw kleed, geknield. Hij spreekt mij moed in.

Meus spreekt mij moed in, en dat is hard nodig want ik voel me nog steeds erg slap: van de gebeurtenissen in het concentratiekamp-leven, en sowieso van die al veel langer durende neergaande spiraal van levens waarin ik langzamerhand mijn vuur en mijn eigenwaarde heb verloren.
Het verbaast mij -in trance- dat ik me zo zwak en slap voel. Ik besta helemaal uit wit licht, in een wit kleed. Ik heb het gevoel dat in het binnenste van mijn romp - van m'n hart tot in m'n buik - wel een soort kracht zit, in de vorm van kennis en inzicht. Maar alles daarbuiten, en met name mijn armen en benen, is ontzettend slap en krachteloos.
Kan ik echt zo incarneren??
Het wordt me nu duidelijk dat ik mijn kracht alleen kan herwinnen op aarde. Dat verrast me. Ik dacht dat dat aan de andere kant ook wel kon; dat ik daar langzaamaan volledig zou kunnen herstellen. Maar blijkbaar is dat niet zo. Ik zie dat het de bedoeling is van mijn aanstaande leven dat ik 'mijn kracht herwin'; ik zie een stevige gele kleur voor me, een goudgeel dat zowel krachtig als flexibel is. Als ik die kracht kan ontwikkelen, zal er op basis daarvan van alles kunnen bloeien. Ik zie dat geel als een rechthoekige opstaande basis waaruit allerlei bloemen kunnen gaan groeien die als een fontein afgeworpen worden in mijn omgeving. Er komen bloemen of kleurslierten uit van mooi donkerblauw en blauw-paars, en ook oranje. Warme, levendige kleuren.

Nu stel ik me voor dat ik echt ga incarneren. Ik sta op de rand van die witte hemelsfeer en ik moet springen. Ik besef opeens dat ik me eigenlijk zo moe voel. Meüs spreekt me moed in maar ik word nu overvallen door een grote aarzeling en door verdriet. Opeens besef ik dat ik het echt helemaal alleen moet doen en dat ik zijn hand moet loslaten. Dat ik zijn hand los moet laten breekt mijn hart; ik word er moedeloos van.
Uiteindelijk spring ik dan toch maar en val als een herfstblaadje zachtglooiend naar beneden door een grijzig-mistige sfeer. Ik ben wat mistroostig maar niet heel angstig. Ben ik er wel helemaal bij met mijn bewustzijn?
Ik zie mezelf als embryo - ik zie de kleuren oranje en geel - in de baarmoeder van mijn moeder. Ik bezie het allemaal met observerende blik, niet echt betrokken, meer afwachtend.
Zodra ik in die baarmoeder ben, maak ik me wel zorgen over de volgende stap: geboren worden. Dat beangstigt me.


© Pamela Kribbe
www.pamela-kribbe.nl


 



Lijn in regenboogkleuren