|
|
De Romeinse prins
Ik zie van boven een woestijnachtige, kale vlakte, waarin drie grote pyramides staan, zandkleurig zoals de grond. Als ik 'intune' op het beeld, zie ik een karavaan door de vlakte trekken - een groep mensen met lange kleden, karren en ezels (?) - en zie ik mezelf als kleine jongen achter in een kar zitten, in een open bak met wat zakken. Ik kijk in de verte naar de plek waar we heen reizen, en ik ben in een afwachtende stemming. We slaan ons kampement op bij een soort nederzetting.
Ik zie mezelf daar nu zitten aan de rand van een diepe, rechthoekige geul; mijn knieën en onderbenen bungelen over de rand. Het is een soort kanaal met een grijze, kleiige bodem. Op de bodem liggen dode lichamen, in de meest vreemde standen. Ik kijk ernaar zonder emotie. Ik ben een kind en niemand legt me uit wat dit is. Ik ben nieuwgierig en daal af naar beneden naar de kleibodem om tussen de lichamen door te lopen en ze te bekijken. Ik ervaar dit gewoon als een spel, niet als iets schokkends.
Deze mensen zijn slaven, die zijn omgekomen door een ongeluk, waarbij er een grote watermassa door de geul spoelde terwijl zij daar aan het werk waren. Maar dat doet 'ons' niets, want wij beschouwen hen niet als mensen, niet als deel van onze soort.
Als ik verderop in dit leven kijk, zie ik mezelf als een jongeman van 18 jaar, in een wit kleed tot op mijn knieën met een riem om mijn middel en sandalen aan mijn voeten. Ik ben een Romeinse prins in Egypte. Ik ben tenger gebouwd, heb zwart haar dat aan de zijkanten opkrult, en amandelvormige groene ogen. Ik ben ijdel en verwend. Heb nooit leed of armoede gekend. Ik zie mezelf staan met een zweep die ik laat knallen op de grond. Ik ben verveeld en dat maakt mij agressief.
Nu zie ik mezelf buiten staan met die zweep; achter een lage afrastering staat een mensenmassa in vodden gekleed; ze smeken om brood. Er heerst hongersnood en ziekte. Ik sla die mensen met mijn zweep. Het geluid van hun smekende stemmen maakt mij driftig - terwijl ik ook verveeld ben - en daarom ransel ik hun. Mijn zweep raakt de voorzijde van hun lichamen, zodat er bloedstrepen ontstaan. De mensen wijken gillend terug, maar ze kunnen niet goed naar achter want ze staan helemaal opgepropt. Dit doet mij op sadistische wijze genoegen. Ik zal ze wel afleren om zo te jengelen.
Later zie ik mezelf naar binnengaan in het paleis waar ik woon. Ik kom een grote ruimte binnen met een rechthoekig zwembad in het midden met marmer. Het is een mooie, overvloedige maar toch strak ingerichte ruimte (met hier en daar traptreden en verhogingen, en ook witte pilaren). Wanneer ik binnenkom, wacht de raad van ouderen mij op. Ik voel me zowel triomfantelijk als betrapt. Zij keuren mijn gedrag van daarbuiten af. Ze vinden dat ik onbeheerst tekeer ben gegaan.
Nu zie ik wat mijn positie is. Ik ben troonopvolger - dat ligt vast - en omdat ik nog jong ben sta ik onder begeleiding van deze raad van ouden, die mij moeten coachen om tot volwaardig heerser uit te groeien. Maar ik ben niet van plan naar hun adviezen te luisteren. Mijn troonopvolging is toch al verzekerd, dus ze kunnen mij uiteindelijk niets maken - en dat weten zij. Ik ga dus mijn eigen gang.
Ik heb geen idealen of richtlijnen die ik volg. Mijn geweten is ook nooit ontwikkeld.
Ik ben hedonistisch en verwend, en leef voor mijn genot. Omdat alles echter voorhanden is (v.w.b. rijkdom en pleziertjes) raak ik ook snel verveeld. En daar word ik dan weer agressief van. Innerlijk ben ik dus onrustig; nooit voel ik mij tevreden en vervuld. Tegelijkertijd komt het niet in mij op om mijn vervulling in iets anders te zoeken dan genot. Dat is mij blijkbaar nooit geleerd.
Ik vermaak mij sexueel met een aantal meisjes, die in het paleis rondlopen; het zijn slavinnen, maar ze zien er erg mooi en verzorgd uit en weten in ieder geval de suggestie te weken dat ze genieten van de kleine orgieën die ik aanricht.
In mijn sexuele beleving gaan macht/wreedheid en genot samen. En mijn beleving staat centraal: het gaat erom hoeveel genot ik eruit haal, de meisjes zijn daar het middel toe en het lijkt erop of zij dit ook heel vanzelfsprekend vinden.
Toch vervult ook deze sex mij niet, behalve voor enkele momenten van genot, die vaak ook een ontlading zijn van spanning en agressie.
Ik opereer steeds vanuit mijn onderbuik (zinnelijk genot in de vorm van eten, sex en rijkdom) en zonnevlecht (agressie, wreedheid, wil tot macht). De centra van hart, derde oog en kruinchakra zijn nagenoeg volledig gesloten. Daarom ontbreekt het mij steeds aan betekenis/zin in mijn leven en dat drijft mij tot razernij.
In het volgende beeld dat ik zie ben ik een stuk ouder, ongeveer 50 jaar. Mijn gezicht is verweerd en gerimpeld. Ik zit op een soort houten troon, in een wat verlaten, donkere ruimte. Ik ben wat chagrijnig en mopperig. Soms loop ik rond en trap tegen losliggende dingen aan. Ik ben wel wat gekalmeerd vergeleken met mijn jeugdige jaren. Maar dat komt niet doordat ik tot inkeer ben gekomen. Eerder is het zo dat ik alles nu wel heb gezien, mijn agressie volledig heb uitgeleefd, en dat ik nu heel duidelijk een leegte ervaar. Ik ben eenzelvig geworden, maar echte eenzaamheid voel ik niet, daartoe ben ik gevoelsmatig niet in staat. Wel voel ik me steeds licht gedeprimeerd, alsof er een grauwe sluier over me heen hangt.
Ik ga nu ook wel eens naar buiten, hetgeen vroeger ongebruikelijk was. Nu zie ik mezelf staan op een soort wit balkon dat aan mijn paleis vastzit. Ik heb een heel weids uitzicht, en in de verte zie ik de drie pyramides liggen. Ik staar naar die pyramides; die roepen iets in me wakker, iets van ver weg, een ver verleden. Opeens voel ik toch schrik in mijn hart. Ik voel iets in mijn hart! Opeens vraag ik me met schrik af wat ik met mijn leven heb gedaan. Hoe het zo pervers en gewelddadig heeft kunnen worden, terwijl vroeger...... heel vroeger......
Zie Priester-geleerde in Atlantis.
© Pamela Kribbe www.pamela-kribbe.nl
|
|
|