|
|
Prostituée in Colombia
Dit leven speelt zich af in Colombia; het eerste beeld dat ik zie is van mijzelf als baby in een hutje. De omgeving is armoedig; het hutje staat in een eenvoudige nederzetting. Mijn moeder verstoot mij als baby, omdat ik een meisje ben, en een overtollige last vorm. Als ik een jongetje was geweest, dan zou ze mij aan een (rijke) heer geschonken hebben die nog geen zoon had; dat was eigenlijk de bedoeling van mijn conceptie. Nu dit echter was mislukt, wilde mijn moeder mij niet. Ze voelde zich teleurgesteld, angstig en boos; ware ik een jongetje geweest, had zij d.m.v. mij een uitweg uit haar (arme, penibele) situatie kunnen vinden. Nu moest ik weg; ik zie dat haar man (die niet mijn biologische vader is; dat was die rijke heer) er wat hulpeloos bij staat.
Ik word aan een nonnenklooster gegeven; ik zie een vrij grote kloostergemeenschap in een bergachtige omgeving achter muren met een eigen terrein. Hier heb ik een rustige, vredige jeugd, die ook wat aan de saaie kant is. Er is één lieve zuster met speciale aandacht voor mij (Esther?, ze heeft lieve goudbruine ogen, zachte huid). Maar al met al vond ik het een saaie bedoening.
In mijn puberteit kom ik af en toe buiten de muren, voor boodschappen of iets dergelijks. Op een dag word ik op een bergweg die omhoog voert naar het klooster aangehouden door een stel mannen op een kar met paarden. Eerst roepen zij wat uitdagend allerlei dingen naar mij. Op een bepaalde manier heb ik wel zin in een spelletje. Vervolgens word ik door hen -niet geheel tegen mijn zin in- ontvoerd. Ik ben ongeveer 17 jaar (?). Ik word door die mannen naar een bordeel gebracht; dit is ook een gemeenschap achter muren.
De 'overste' prostituee neemt mij op en 'wijdt mij in'. Mijn eerste sexuele ervaring is pijnlijk en vernederend, de man die mij ontmaagdt is niet bijzonder kwaadaardig maar ik weet helemaal niet wat mij te wachten staat en ik voel mij onteerd als hij de kleren van mij wegtrekt. Ook doet de vleselijke gemeenschap mij veel pijn. Ik ben ontzet door de ervaring, maar toch weet ik dat ik in dat bordeel zal blijven. Hoewel ik door de zure appel heen moet bijten, vind ik het ergens ook wel spannend; het appelleert aan iets in mij.
Na een paar jaar maak ik deel uit van die gemeenschap en verwerf ik er een steeds betere positie. Ik heb een behoorlijk zelfvertrouwen. Ik ben een lange, goed geproportioneerde vrouw met zwart haar en bruine huid. Ik heb donkerbruine ogen en volle lippen. Als ik mij mooi kleed heb ik een natuurlijke schoonheid. Zoals een hinde. Ik voel mij sterk en zelfverzekerd. Ik neem deel aan intriges en manipulaties; zowel intern als met de bezoekende gasten, die deels heren met macht en invloed zijn.
Op een gegeven moment heb ik contact met 3 a 4 van deze politiek invloedrijke mannen. Eén daarvan heeft mijn oprechte sympathie. Dat komt omdat deze man - van middelbare leeftijd - zo hoffelijk en zacht is. Ik ben het niet gewend om als individu en met respect behandeld te worden. Deze man zie ik voor me als in het wit gekleed, met grijs glimmend haar, lichtblauwe ogen en ietwat gebruinde huid. Hij is ook een beetje dik. Ik voel mij niet zozeer sexueel tot hem aangetrokken. Wat mij raakt is zijn melancholie en zijn hoffelijkheid. Hij is geen vechter (zoals ik) en geen macho. Hij heeft wel invloed, maar die is meer gebaseerd op intelligentie en familie-achtergrond. Ik word verliefd op hem, omdat ik bij hem voor het eerst ervaar wat het betekent om als persoon gezien te worden. Hij heeft belangstelling voor mijn innerlijke roerselen. Hij zoekt bij mij vrouwelijke geborgenheid en kracht. Hij is niet goed opgewassen tegen het politieke steekspel. Hij dreigt zijn positie en aanzien te verliezen. Ik geef hem raad, spoor hem aan zichzelf te verdedigen. Hij is veel passiever van aard dan ik; hij wil niet vechten maar hij zit nu eenmaal in die situatie; hij zit klem.
Er is een moment dat er echt iets moet gebeuren; het conflict is in de beslissende fase.
Ik besluit in te grijpen om mijn minnaar te redden. Ik verlies mijn doorgaans berekenende aard en ik geef een handlanger van mij de opdracht om de twee kinderen van de aartsrivaal van mijn geliefde, die mij ook bezoekt, af te laten ranselen. Deze twee kinderen worden later dood aangetroffen; ik zie bloedstrepen van een zweep met kogeltjes, toegebracht door een man die in mijn opdracht handelt; ik betaal hem. Ik weet niet of dit mijn bedoeling was. Waarschijnlijk wilde ik die rivaal alleen een lesje leren door zijn kinderen te bedreigen. Maar de kinderen worden dood aangetroffen.
Ik geloof dat ik zelf ook verstomd ben door wat ik heb gedaan. Ik heb eigenlijk relatief weinig ervaring met het directe gevecht, ik ben eigenlijk alleen bekend met list en bedrog binnen de beschermde muren van het bordeel.
Mijn buitenproportioneel erge daad roept een allesoverweldigend wraakgevoel op bij de vader van de vermoorde kinderen (de rivaal van mijn minnaar). Op een dag komt komt mij ophalen in mijn vertrekken, en sleurt hij mij mee, naar buiten. Ik ben me niet helemaal bewust van wat mij te wachten staat, maar ik weet dat er geen weg terug is en dat ik aan hem ben overgeleverd. Ergens besef ik ook wel dat wat ik heb gedaan niet kon. Het was een daad van zowel wanhoop als agressie. De man bindt mij vast en voert mij mee op een kar. Hij sluit mij op in zijn kelder en martelt mij.
Deze martelingen, die sexueel van aard zijn, ervaar ik als het ergste wat ik ooit heb meegemaakt; erger dan het concentratiekamp.
De laatste keer dat hij mij martelt, brandmerkt hij mij op de plekken van mijn lichaam die verbonden zijn met vrouwelijke sexualiteit. Hierna zie ik mezelf rillend in een hoekje van de donkere kelder zitten met een doek om mij heen. Ik ben erg ziek en in een koortsachtige bewustzijnstoestand.
Niet lang daarna word ik buiten aan een houten paal vastgebonden en achtergelaten om dood te gaan. Ik zie mezelf aan die paal hangen op een soort verlaten heuvel; ergens in de bergen. Ik hang al bijna levenloos aan die paal. Ik heb dorst vanwege de hitte. Dan sterf ik. Daarna is het leeg; ik ben in een soort donker schemerig niemandsland. Duistere silhouetten zitten mij achterna; ik ben bang, maar heb geen weerstand. Ik kan mij niet meer verdedigen; mijn kracht en mijn zelfvertrouwen zijn gebroken.
Ik voel dat dit leven een keerpunt vormde. In de eindfase van dit leven werd mijn vuur heel serieus gedoofd. Mijn zelfvertrouwen en eigenwaarde werden gebroken, waardoor ik niet meer wist wie ik was en bij alles wat ik deed en wilde heel erg aan mezelf ging twijfelen. Ik heb het gevoel dat na dit leven een lange periode van stagnatie en schemerachtigheid aanbrak. Doordat mijn gevoel van eigenwaarde ernstig was aangetast, werd ik (in dit schemergebied of in daarnavolgende levens) onderdanig en schrikachtig. Ik maakte van mijn eigen vuur (kracht) niet meer actief gebruik, alleen passief: ik zocht grotere krachten op zoals sterke persoonlijkheden bij wie ik me een beetje erkend en geliefd voelde of maatschappelijke structuren waarachter ik kon schuilen.
Later zie ik wel dat het ook anders had kunnen lopen. De sleutel hiertoe was de verhouding tussen mijn minnaar en mij. Waar het hem aan ontbrak was moed om zichtbaar te worden, waar het mij aan ontbrak was moed om kwetsbaarheid te tonen. Als ik iets van mijn pantser had laten wegvloeien, zodat hij had gezien hoe kwetsbaar ik eigenlijk was, had hij waarschijnlijk de durf gehad om te breken met zijn familie en met mij te gaan samenleven buiten het bordeel. Dan hadden wij voor elkaar gekozen en waren beiden op tijd uit het web van intriges gestapt.
Ik zie ook een alternatieve levenslijn waarin dit had kunnen gebeuren. Wij wonen dan in een soort hutje veraf van de gewone gemeenschap. Wij leven eenvoudig en zijn heel gelukkig samen. Wij beleven de lichamelijke liefde samen op een heel tedere en lieve manier. Ik moet huilen als ik dit zie. Door die liefde kan ik beginnen te genezen van het stigma dat ik als prostituée met mij meedraag. Hij gaat wel eerder dood dan ik. Maar wat wij samen hebben gehad blijft mij troosten. Ik sterf wat jaren later, als ik buiten wandel op weg naar de dorpsgemeenschap; ik zie mezelf instorten (hartaanval) in de buurt van een paar grote stenen waar wat kinderen staan.
© Pamela Kribbe www.pamela-kribbe.nl
|
|
|