Bron: http://www.reiki-energie.nl

Verslag van de reďncarnatiesessie (mei 2005)

Aanwezig:

De therapeute nam tussen haar uitspraken door vaak enige seconden de tijd om te concentreren en te voelen. De tekst in dit verslag gaat voorbij aan deze stiltes en tussenpauzes.

Ik heb hen van te voren een brief gestuurd waarin ik iets over mezelf vertel en waarin ik wijs op de problemen die spelen in mijn leven.

Sessie:

Z: Ik ga als eerst kijken naar het energieveld om je heen. Kun je je voor- en achternaam hardop zeggen?

IK: M.L.

Z: Het eerste wat ik voel, is eehh…. Ja, het gaat een beetje door elkaar. In je huidige energieveld zie ik bij het tweede chakra, dat is bij je buik, daar is op het gebied van gevoelscontact met anderen iets aan de hand. Ik voel dat je een energieveld hebt, dat geestelijk sterk ontwikkeld is, waardoor de energie ook veel hierboven zit (ze wijst rond haar hoofd), maar daar zit ook een hele oude geschiedenis achter. Het beeld wat ik de hele tijd erdoorheen zie, is het beeld van een klooster of orde, en er is een hele grote gong, en dat geluid ervan hoor ik. Het is een heel laag en diep geluid. Het is een Oosterse orde, waarschijnlijk in Tibet. Misschien moet ik daar eerst naar toe gaan, dan kom ik later op dat gevoelsonderwerp terug.

Het leven als monnik in Tibet

Z: Op het moment dat ik je nu voel, zit je in een hele strakke houding, een meditatiezit. Je hebt een buitengewone beheersing over je lichaam, want ik voel ook dat je lichaam eigenlijk pijn doet als je zo zit, maar dat je die pijn ontstijgt. Dus dat je naar de pijn kijkt, en je distantieert van het lichaam. Daar zit een bepaalde sterke geestelijke kracht achter die je hebt ontwikkeld, maar ik voel ook dat daar in potentie problemen uit voort kunnen komen. Dat er een soort dissociatie met het lichaam ontstaat. Dat het niet vanzelfsprekend is om helemaal in je lichaam te zitten. Ik voel verder in je geest iets heel ruims, ik zie ook sterk de kleur lichtblauw in je aura om je hoofd. Het heeft iets heel vrijs, iets ongebondens.

H: hoe voelt hij zich daar als monnik? Is hij gelukkig?

Z: Nou, gelukkig is niet het goede woord. Hij schept wel een zekere voldoening in de beheersing, in zijn vaardigheden. Het is een sterke geestelijke kracht, en door de beheersing over het lichaam en de emoties, en ook over de gedachten, kan hij een soort vrijheidservaring creëren, waardoor hij letterlijk opstijgt. Alsof zijn energie zijn lichaam vanuit het hoofd verlaat. Dat geeft een vrijheidsgevoel, maar ook een soort trots op het beheersen daarvan.

Ik zal nu teruggaan naar zijn jeugd in dit leven. Ik zie een baby met getrokken ogen, dus Aziatisch, en ook een flinke bos zwart haar al bij zijn geboorte, ik voel eigenlijk wat negatieve emoties in het kind. Als hij net geboren is, is er een zekere onvrede in hem. Iets irriteert hem. Ik zie niet meteen waarom, ik zal eerst eens naar de ouders kijken. Ik zie zijn moeder, een zachte vrouw met een lieve, meisjesachtige uitstraling. Ze is heel erg gek op die baby, ze heeft er zeker heel erg naar uitgezien. Maar het gekke is, dat hij die liefde niet zo ontvangt. Er irriteert hem iets. Ik geloof dat het hem irriteert dat hij in dat lichaam zit. Dat hij in dat lichaam gevangen zit. Even kijken naar de vader. Daar voel ik ook wel een soort warmte van uitgaan. Hoewel iets meer op afstand dan de moeder. Ik voel ook vanuit het kind ook iets meer genegenheid naar de vader. Ik voel ook een naam van het kind. Het is iets als ‘Bashi’ of ‘Baishi’.

H: Het is dus een kind wat zich al heel sterk thuis voelde in de spirituele wereld, en daar op een bepaalde manier liever gebleven was.

Z: Ja, inderdaad. Er was een soort ongenoegen, wat met een verlies van vrijheid te maken heeft. Een vorm van boosheid. Dan ga ik wat verder in de tijd. Ik zie hem nu als hij peuter is. Hij heeft iets chagrijnigs, iets geďrriteerds. Het is eigenlijk wel raar. Zijn moeder is heel lief, maar hij mist een soort herkenning. Hij mist een begripsband met haar. Hij vindt haar een beetje onnozel, denk ik.

H: Ja ja, het kind is iets te complex voor de moeder.

Z: Ja, maar die moeder houdt wel heel erg van hem, alleen ze begrijpt hem niet.

H: Zijn spirituele gevoelens en zijn onvrede met het aardse, dat is allemaal een beetje boven haar pet.

Z: Ja, je zou eigenlijk kunnen zeggen dat zij hem echt als kindje behandelt, terwijl hij eigenlijk nogal volwassen gevoelens heeft. Maar ze doet dat echt niet met opzet. Ze bedoelt het heel lief. Ik ga nu verder in de tijd. Ik zie een jongen verschijnen met hele heldere ogen, ik denk van een jaar of twaalf. Daar gaat eigenlijk een andere uitstraling vanuit. Iets heel bedachtzaams, beschouwends. Ook iets eenzaams. Het niet herkend worden door de omgeving, het lijkt alsof hij dat op een bepaalde manier heeft geaccepteerd. Niet volledig op emotioneel niveau, maar als een soort feit. Zo van, zo is het nou eenmaal. Hij is veel alleen, en dat vindt hij wel normaal. Hij vindt geen aansluiting, maar het is niet zo dat hij wordt gepest of zo. Het is meer een buitenstaander. In dat leven, nog voordat hij in die Orde begint,  zit al veel energie rond het hoofd. Dat geeft hem ook iets volwassens. Hij is totaal anders dan andere kinderen, hij is niet zo speels. Ik ga weer verder in de tijd. Ik zie hem nu in die Orde. Hij is een jaar of 21. Hij draagt een rood kleed. Meer een soort aarderood, zoals terracotta. Zijn hoofd is geschoren. Ik voel nu gek genoeg een soort vrolijkheid in hem komen. Een soort monter gevoel. Hij voelt zich nu meer thuis in zijn omgeving, hij past er goed in. Hij heeft iets heel alerts en intelligents, en dat wordt ook aangesproken daar. Hij voelt zich meer gezien, meer herkend dan als kind. Het zijn allemaal mannen in die Orde, of allemaal jongens. Ik voel dat als hij daar een tijdje is, dat hij eigenlijk heel erg doorschiet in een tendens die al een beetje in hem zat. Dat heeft te maken met een heel sterke verinnerlijking. Gericht zijn op je eigen gedachteprocessen, of alles wat zich innerlijk afspeelt. Ik voel dat hij aan de ene kant grote geestelijke vermogens ontwikkelt, nog sterker dan in de jeugd, maar dat aan de andere kant iets wordt afgeknepen, iets wordt afgesloten. Dat heeft te maken met dat tweede chakra. Eigenlijk alles vanaf het derde en vierde chakra (hart) naar beneden (de onderste vier chakra’s, red.), dat is een gebied wat relatief onbewoond is. Daar is hij niet zo in geďnteresseerd.

H: Oké, en wat heeft dat leven in die Orde nu voor invloed op zijn ziel?

Z: Ik krijg heel sterk het gevoel: voor de ziel is het niet goed. Dat komt omdat hij daar de balans kwijtraakt. Die geestelijke vermogens zijn heel sterk ontwikkeld, maar de balans met de Aarde, met de aardse kant van het leven, die gaat dus een beetje kapot.

H: Het kind begint dus al met een bepaalde afkeer voor het aardse leven en heeft een hele sterke spirituele inslag. Maar dat probleem overwint hij niet, hij versterkt het alleen maar in dat leven, lijkt het wel. Door zich heel sterk op het spirituele te gaan richten. En door emotionele contacten, en alles wat daarmee samenhangt, te verwaarlozen.

Z: Ja, en er is geen innerlijke drijfveer om dat te doorbreken. Die barričre ten opzichte van de buitenwereld wordt steeds versterkt in dat leven. Dus hij gaat in zekere zin mee op de stroom van zijn wezen, hij zoekt de weerstand niet op. Hij neemt de richting die hem gemakkelijk afgaat. En daarin ontwikkelt hij ook grote talenten, alleen het leidt tot een disbalans. Ik denk weer aan dat beeld in het begin dat hij als monnik aan het mediteren is, hij is bezig met het opzoeken van de extreme grens hoe ver je kan gaan in een lichaam om toch nog de weidsheid te voelen van niet in je lichaam te zijn. Een soort kosmisch gevoel. Daarin gaat hij heel ver. En hij verwaarloost ook zijn lichaam een beetje. Wat ik voel dat op een emotioneel niveau belangrijk is, is dat er een zekere boosheid bestaat jegens het aardse leven, en dat was in het kind heel duidelijk.

H: Dus wat je ziet, is dat het probleem, wat het kind al had aan het begin van zijn leven, door dit leven alleen maar versterkt. Het hele aardse leven wordt ontweken, er wordt helemaal in het spirituele gedoken.

Z: Ja, inderdaad. Het wordt tot in het extreme doorgevoerd.

H: Misschien is dat ook wel in wezen de bedoeling van dit leven geweest, om het probeem nog scherper te stellen, om te laten zien dat dit geen oplossing is.

Z: Ja, ik voel dat, ja. Als ik naar de baby ga, dan is er een soort onwil in de ziel om tot een soort vrede te komen met het aardse leven, en het lijkt wel alsof je in dit leven juist de kans krijgt om op spiritueel gebied door te schieten, opdat je dan tegen een muur aanloopt. Op een gegeven moment kom je tot het uiterste van hoe ver je kan gaan, en dan moet je weer terug. En ik heb het gevoel dat dat leven ook zo bedoeld was. Dat je zekere grenzen bereikt.

H: Ga nog eens even naar het einde van dat leven. En kijk eens hoe hij zich dan voelt.

Z: Ik zie hem nu als hij wat ouder is, zo rond de 45 of 50. Hij heeft dan bepaalde lichamelijke klachten. Iets met de ledematen. Daardoor wordt meer dan hij wilt zijn aandacht getrokken naar het lichaam. En dat ergert hem. Dat stomme lichaam! Ook omdat hij dan niet meer zo makkelijk kan mediteren. Het doet dan toch teveel pijn, het gaat niet. Hij kan het lichaam niet meer zo verwaarlozen. Het vraagt om zijn aandacht. Dan wordt hij ook terneergeslagen, want zijn geest wordt dan meer gedwongen beneden te zijn. Hij wordt er mopperig van. Voor zijn gevoel is het licht er dan niet meer zo, het wordt donker. Ik zie hem op de rand van het bed zitten. Hij had weinig contact met de mensen om hem heen in dat klooster. Hij is nu echt ziek. Er is dan een vrouw, ze lijkt op een non, met zo’n kleed, en zij verzorgt hem, als een soort verpleegster. Dat speelt een belangrijke rol. Hij kan dan heel weinig meer, hij kan zijn lichaam niet ontvluchten. Hij ligt ziek in bed, en die vrouw wast hem ook af en toe. Dat ziektebed duurt vrij lang, en dan raakt hij ontroerd door haar stille aanwezigheid, want ze praten nauwelijks. Zij doet gewoon dat werk en zo, maar ze heeft wel iets liefs, en hij moet door haar ook aan zijn moeder denken. Hij heeft zijn moeder toen nooit zo gewaardeerd, maar deze vrouw kan hij nu wel waarderen. Zij vormt voor hem een soort voorbeeld van aardse liefde. En dan voelt hij zich af en toe weemoedig, maar ik heb het gevoel dat hij juist dan innerlijk een soort doorbraak bereikt.

H: Kijk eens naar wat er op dat moment bij zijn onderste chakra´s gebeurt.

Z: Ja, er ontstaat verdriet. Maar het wordt niet echt heel sterk gevoeld. Het is meer weemoed. Een soort stille gevoelens. Niet heel heftig, maar wel doordringend. En ook een soort besef van: ik heb het fout gedaan! Ik ga nu naar het moment van de dood toe. Ik zie hem dus weer in het bed liggen, maar het lichaam is dood. Ik zie meteen als hij uit dat lichaam komt heel veel lichtblauw, vooral bij het hoofd, dat is dat kosmische vrije gevoel, maar het gekke is dat hij helemaal niet zo dolblij is om daar weer naar toe te mogen. Hij voelt sterk dat hij iets op Aarde moet doen, hij voelt dat hij iets heeft gemist. Hij voelt dat hij op Aarde moet leren leven. Echt in de materie. Er diep inzakken. Ik voel dan een voornemen in de ziel komen, om heel andere omstandigheden op te zoeken voor een volgend leven. Ik zie daar een hele diepe kleur rood bij. Alsof hij het met een bepaald temperament wilt rechtzetten, lijkt het. Misschien moet ik eerst even kijken naar de invloed van dit leven op het heden. Wat me opvalt in jouw Nu, is dat er juist krachten werkzaam waarbij je naar het gevoel toe wilt, naar de Aarde toe wilt. Die krachten gaan ook naar beneden in je energieveld, en maken contact met het hart en het tweede chakra, en dat zijn eigenlijk allebei belangrijke gevoelscentra. Maar er hangt ook iets in je energieveld wat jou af en toe daarvan wegtrekt. En daar zit volgens mij ook de invloed in van dat monnikenleven. Iets in die monnik is in jou ook een soort automatisme geworden. Het heeft te maken met een soort afstand hebben tot je gevoel, tot je emoties. Het is niet vanzelfsprekend dat je daar helemaal één mee bent, het is eerder vanzelfsprekend dat je je er ook weer van terugtrekt. Je bent wel iets aan het overwinnen in jezelf. Want ik voel dat die oude energie, die ook in dat monnikenleven heel sterk was ontwikkeld, dat zie ik nu als een beetje lichtbruinere, een niet zo zuivere teint. Omdat het eigenlijk iets is wat je achter je wilt laten. Het is iets wat je wegtrekt van het volle leven. Ik heb het gevoel dat er uiteindelijk wel een hele hoogstaande kwaliteit in zit. Als je eerst de balans vind met het aardse, dan wordt dat wat ik nu als een soort brokkelig bruin zie in je aura, dat wordt dan spierwit, heel helder wit. Dat wordt dan hele mooie kennis en inzicht. Maar ik voel dat er eerst nog een diepere verankering met de Aarde nodig is, om die balans weer te herstellen. Laten we hier nu even pauzeren.

Gesprek

IK: Volgens mij zei je al zoiets van te voren, maar ik wist het niet zeker. Kan ik je gewoon onderbreken terwijl je aan het spreken bent?

Z: Ja, hoor. Wat vond je er tot nu toe van? Kun je het een beetje plaatsen?

IK: Ja, eigenlijk wel. Ik heb al het besef dat ik aan de ene kant heel erg de neiging heb om het spirituele op te zoeken, maar aan de andere kant weet ik dat ik meer met de Aarde bezig moet zijn. Dat ik precies dat evenwicht waar je het over had, moet vinden.

Z: Ja, ik heb wel het gevoel dat je al daarmee bezig bent.

IK: Ja, ik ben er inderdaad al mee bezig. Ik wil ook emoties sterker voelen. Ik probeer ook met mijn aandacht mijn onderste chakra´s tot leven te brengen.

Z: Ja, dat lijkt me heel wijs.

IK: Alleen daar ben ik pas net mee begonnen.

Z: Ja, er is een beweging gaande die heel mooi en nieuw is, die gaat naar beneden, en er is iets wat een soort weerstand biedt. Maar dat is oud. Dat heeft ook een zekere kracht, maar ik weet zeker, dat als je intentie blijvend gericht is op die balans, dat het je gewoon gaat lukken.

H: Dit leven (van de monnik, red.) bevestigt eigenlijk heel sterk wat je schrijft in de brief, he. Dat aan de ene kant het opzoeken van en terugtrekken in het spirituele je heel makkelijk afgaat, en tegelijkertijd heb je heel sterk het gevoel van: Hé, nee, dat moet ik niet doen, ik moet omlaag.

IK: Ja, en wat betreft het blowen wat ik in het verleden veel deed, dat is ook een bewijs dat ik me toegaf aan een behoefte aan vrijheid, aan een versterkte spirituele beleving, een behoefte om mijn voeten van de grond te halen, terwijl ik dat natuurlijk juist niet moest doen.

Z: Nee, inderdaad. Je bent er inderdaad eigenlijk helemaal niet geschikt voor, om te blowen. Maar ik heb wel het gevoel dat je nu het omslagpunt al hebt gemaakt. Het kan weliswaar nog wel een tijd duren voordat de balans is bereikt, maar daarvan voel ik aan dat dat heel positief is. Ik heb trouwens het idee, dat eeehh…, je zei in je brief: ik kon vrij makkelijk van het roken en het blowen afkomen. Ik heb het gevoel dat dat ook een beetje samenhangt met het vermogen om je ook dan los te maken van bepaalde behoeftes in het lichaam. Een soort kracht, een zelfbeheersing, die natuurlijk is voor jou.

IK: Ja, misschien wel, ja. Ik begon ook op een gegeven moment te merken dat ik eigenlijk            nooit echt een begeerte-roker ben geweest, maar meer een gewoonte-roker. En voor gewoonte-rokers is het denk ik makkelijker om te stoppen. Ja, nou ja, het is een verschillende soort strijd die je voert natuurlijk. Of het bestrijden van een begeerte, of het bestrijden van een neurotische gewoonte. Maar, inderdaad, het is erg makkelijk gegaan.

H: Dat is wel uitzonderlijk, hoor. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit in mijn leven eerder heb horen vertellen van iemand dat het makkelijk was geweest om te stoppen met roken. Meestal is het een enorme veldslag, en meestal mislukt het.

Z: Ja, langslepende toestanden. Ik heb echt het gevoel dat het daarmee te maken heeft. Het vermogen dat je ook in dat leven had, om je te dissociëren van lichamelijke begeertes of sensaties.

H: Maar ik denk dat we nou wat verder omlaag moeten kijken, hč. Rond de buik (tweede chakra, belangrijk gevoelscentrum. red.)

Z: Ja, ik moest denken aan het begingevoel wat die jongen had toen hij met dat leven begon. Dat is natuurlijk ergens vandaan gekomen. Maar goed, we kunnen wel beginnen met je energieveld nu.

H: Ja, kijk, wat betreft dat begingevoel, het is duidelijk dat er achter die monnik nog meer spirituele levens zitten, waarin je je spiritueel thuis gevoeld hebt en een afkeer voor het aardse ontwikkeld hebt, en ik heb het idee, dat het leven van die monnik daarin een soort climax is geweest. Dus ik zou niet teveel op dat begingevoel ingaan, want dan wordt alleen maar duidelijker wat al duidelijk genoeg is naar mijn gevoel.

Z: Ja, oké. Maar voor mijn gevoel ligt de oorsprong van die afkeer van het aardse niet alleen in het leiden van nog meer spirituele levens. Maar is er ook ooit eens iets aards gebeurd, iets gewelddadigs of zo, waardoor de afkeer ook versterkt is. Maar misschien ook niet. (blijkt inderdaad zo te zijn, red.)

IK: Ik vraag me ook af waarom mijn ziel mijn huidige leven heeft gekozen.

Z: Oké, daar gaan we daar even naar kijken. Ik zie net voor de incarnatie in je huidige leven een witgele zon, met blauw eromheen, ik voel dat als je Hogere Zelf, en dat zegt meteen van: Ik wil naar de Aarde toe, ik wil daar leven, ik wil daar liefhebben. Ik wil vrede sluiten met de Aarde. En ik voel ook dat je, naarmate je dieper in die onderste chakra’s gaat wonen, dat je echt in je lichaam zit, dat je dan juist ook die donkerdere emoties kunt tegenkomen in jezelf, die ook te maken hebben met een bepaald temperament (Boogschutter = vuur = temperament, red.). Ik heb het gevoel dat jouw doel in dit leven is die oude emoties, waaronder boosheid, op een liefdevolle manier te helen, te transformeren. Zodat je echt met genot en plezier hier kunt zijn. Ik moet er toch even naar toe, hoor. Naar de oorsprong van die emotionele pijn, die reden heeft gegeven tot die boosheid, welke ook in dat kind zat.

Het leven als zoon van een krijgsheer in een koude, Europese streek in de middeleeuwen

Z: Ik zie een gevecht. Ik zie mannen op paarden, en het is heel heftig, en ze vallen van hun paard af. Het is een hele gewelddadige strijd. Ik zoek even waar je bent. Je bent een man. Je hebt een soort pak aan met van die gevlochten ringen.

H: Een soort maliënkolder.

Z: Ja, inderdaad. Het dient ter bescherming. Het is een beetje blauw-grijs. Daar ben je een temperamentvol iemand. Je hebt iets woests over je. En ook een soort zelfvertrouwen daarin. Je voelt je heel krachtig, en ook goed geaard. Je bent er helemaal.

H: Ga maar naar het begin van dat leven. Kijk eens naar de baby, probeer de energie van de baby te voelen.

Z: Ik zie een baby, met een blank gezicht. En met weinig haar. Het kind is afwachtend, rustig. Het heeft geen uitgesproken stemming. Ik zie een vrij groot gebouw, met stenen muren.

H: Een kasteel of zo?

Z: Ja, zoiets.

H: En kijk eens naar de ouders.

Z: Ik zie een moeder. Ze is mooi gekleed. Ze lijkt van goede komaf, uit een goed milieu. Ze heeft lichtblond haar. Maar ze heeft iets stijfs. Ze kan een beetje minachtend doen. Ze let erg op hoe het hoort. Ze heeft duidelijk een besef van normen. De stroom naar het kind toe is niet heel hartelijk, het is meer een soort plichtsgetrouwheid. Zijn vader is een temperamentvol iemand, hij kan zich echt boos en druk maken over dingen die gebeuren. Het is een leider. Hij heeft een functie waarin hij beslissingen moet nemen en mensen moet leiden.

H: Wat voelt de vader voor zijn zoontje?

Z: Een soort gevoel van: dit is mijn zoon, dat moet een vent worden. Hij is er wel trots op dat hij een zoon heeft, maar het is meer aan de moeder om het kind op te voeden. In het begin, in ieder geval. Ik ga verder in de tijd. Als ik het kind rond een jaar of vier zie, dan heeft het nog iets heel dromerigs. Helemaal niet woest of zo, maar juist iets verstilds, een beetje een engeltje, zo zacht. En dan ga ik verder in de tijd, en dan voel ik dat er een omslag komt. Op een gegeven moment gaat je vader zich meer met jou bemoeien, en dan krijg je ook lessen. Ook soort gevechtstrainingen. Dat neem je dan best wel diep in je op. Het lijkt alsof je iets vloeibaars in je energie hebt, want je was wel stil en dromerig, maar je kan op dat moment toch ook wel daarin meegaan. Een soort opwinding ervaren bij dat krachtige. Die mannelijke energie van je vader, daar kijk je ook wel op een bepaalde manier tegen op. Maar je draagt echter ergens een soort innerlijke ontwikkeling bij je, die die van je vader overstijgt. Je vader is wat grover, wat ruwer. Maar toch ga je er wel in mee, in die opvoeding. Je laat het wel gebeuren. Ergens heb je er ook wel zin in om avontuur te beleven. Ik zal nu naar een volgend belangrijk moment gaan. Ik zie dat je een meisje, een jonge vrouw ontmoet. Het is opmerkelijk, ik voel dan dat je een jaar of 18 bent, en er is dus een vrouw in je leven gekomen, en bij haar voel je juist heel sterk je hart opengaan. Dan komt er dus weer een heel ander aspect aan de orde in dat leven, meer een gevoelsmatig aspect, en ik voel dat dat eigenlijk ook wel makkelijk gaat. Dat stroomt ook wel makkelijk. Jullie hebben echt veel plezier samen. Er is veel warmte. Het heeft iets heel ongedwongens, het lijkt alsof jullie echt kameraden zijn. Je zit blijkbaar ook aan een soort hof, waar soms ook gevochten moet worden, om grenzen te verdedigen, of opstanden neer te slaan.

H: Voel je ook een naam bij die persoon?

Z: Iets van ‘Marcel’ komt op. Zoiets. Ik voel dat je in die gevechtstoestanden en het militair optreden in een vaarwater terechtkomt, waar je eigenlijk niet … daar ontstaat iets negatiefs. Er worden dan krachten wakker gemaakt in jezelf … laat ik het zo zeggen, je hebt eigenlijk zelf niet het agressieve in je, maar door bepaalde situaties wordt het toch in je naar boven gehaald. Er ontstaat iets donkers. Ik voel ook dat je dan in het gevecht heel driftig raakt.

H: Kijk eens naar die donkere gevoelens. Waar komt dat vandaan?

Z: Ik voel dat je in het algemeen een vloeiende persoonlijkheid hebt die openstaat, maar op het moment van dat vechten kunnen er ontzettende driften naar boven komen. Dat je ook echt flink om je heen slaat en mensen bezeert. Waar komt dat vandaan?

H: Verdiep je eens in zo’n moment, dat hij aan het vechten is. Naar die woede, die dan loskomt. Wat is daar de oorsprong van?

IK: Kan het ook te maken hebben met een soort wrijving tussen enerzijds mijn zachtaardige aard en anderzijds de behoefte om aan mijn vader te bewijzen dat ik de man kan zijn die hij wil dat ik ben?

Z: Ja, het heeft zeker iets met je vader te maken. Wacht even, ik zie een beeld dat je iemand neersteekt, met een zwaard. En op het moment dat je dat doet, voel ik dat je innerlijk als het ware iets breekt, en dat je naar de hemel schreeuwt van: ik wil hier niet zijn! Toch ook weer een protest. Je wilt die agressie helemaal niet, je wilt er niets mee te maken hebben. Ik voel dat je je meegesleurd voelt in een negatieve spiraal, en dat je je besmeurd voelt, besmet. En dat heeft ook invloed op je karakter in relatie tot je vrouw. Die relatie met die vrouw had aanvankelijk iets hemels, maar … Ik heb het gevoel dat je, naarmate het leven vordert, als het ware noodgedwongen in een wat meer geharde energie zit. Dus eigenlijk een wat meer mannelijke energie, die niet bij jou past, waardoor een bepaalde soort hogere vibratie in je energie omlaag gaat. En dat heeft ook invloed op je gezinsleven. Jullie krijgen ook kinderen.

Ik zal even kijken hoe het afloopt. Je hebt zelf ook het gevoel gedeeltelijk slachtoffer te zijn. Op het moment dat je in zo’n gevecht zit, heb je zoiets van: ik moet dit doen. Vanuit een soort maatschappelijke status. Je moet iemand zijn, als man. Je komt op een gegeven moment om het leven in zo’n gevecht. Ik zie dat je geraakt wordt, volgens mij in je keel. Er komt bloed uit. Je valt op de grond, van een paard af, en vrij snel ga je dood. Ik voel dat het je enorm spijt, het je enorm aangrijpt dat je je vrouw en kinderen moet achterlaten. Dat het heel veel pijn doet. En ook dat je een soort gespletenheid voelt van: dit wilde ik niet zijn. Deze man wilde ik niet zijn. Ik heb de indruk dat je in de opvoeding ondanks de invloed van je vader dacht wel meester over jezelf te blijven, maar dat je toch ongewild in die meer macho-achtige kant meegezogen werd. In de relatie tot die vrouw kwam echt de mooiste kant van je in dit leven tot uitdrukking, in het hart. Dit leven laat een heel bitter gevoel bij je achter, over dat je moest vechten.

H: Waarom heeft de ziel dan voor dat leven gekozen?

Z: Als eerste voel ik duidelijk dat je, toen je aan dat leven begon, in de wereld wilde leven. Je wilde niet een geďsoleerd bestaan hebben, zoals bijvoorbeeld met die monnik. Je wilde in de wereld leven. En dus ook met alle krachten die daar werkzaam zijn. Waar het ook op aankwam, was eigenlijk ook dat je tegen je vader had moeten opstaan. Je had moeten aangeven dat je niet tegen het geweld kon. Je had het conflict aan moeten gaan, maar dat deed je niet. Dat kwam vanwege een zekere naďviteit (vanwege mijn spirituele aard had ik weinig inzicht in de donkere kant van het aardse bestaan en wist ik niet goed wat me te wachten stond, red.). Maar ook een vorm van niet helemaal geaard zijn. In de zin van, als je eenmaal geaard bent, dan voel je ook wanneer iets mis gaat, dat je moet ingrijpen. Het lijkt wel alsof daar iets vloeiends, iets dromerigs in zat, waardoor je het dan toch te ver liet gaan. Dat was de voorbode voor een soort negatieve vibratie die je in je eigen energieveld opnam. Dat leven heb je voor mijn gevoel gekozen om te onderzoeken hoe het zit met die weerstanden en agressie, en hoe je daarmee omgaat, als je het niet kunt buitensluiten, als je er middenin zit. Ik zie dit leven wel als een hele sterke uitdaging voor de ziel. En ook die liefde met die vrouw, dat was iets heel moois. Dat was je ook gegeven in dit leven, om ook de positieve kant van het aardse leven te ervaren.

IK: Is het mogelijk om te bepalen in welk land dit leven zich afspeelde?

H: Het komt toch wel Europees over dit.

Z: Ja, ik moest aan Scandinavië denken, of zo. Het was koud daar. Zweden of zo. Je had ook een lichte huid. En je moeder had heel licht vlasblond haar. Het leek zich ergens in de Middeleeuwen af te spelen.

IK: Is het mogelijk om de volgorde van deze levens te bepalen? (beide mogelijkheden komen me als waarschijnlijk voor. Of eerst het monnikenleven om de grenzen van de spirituele kant op te zoeken, en daarna het aardse leven als ridder om te aarden, en zowel liefde als geweld te ervaren. Of andersom, waardoor de boosheid in de baby in het monnikenleven verklaard wordt, namelijk de afkeer van het aardse vanwege de eerdere gewelddadige ervaringen, red.)

Z: Soms wordt het heel duidelijk, en soms wat minder. Ik zou het hier eigenlijk niet zo kunnen zeggen, nee. Nou is het ook wel zo, merk ik zelf, dat het allemaal niet echt zo werkt, hoor, van het ene leven dat volgt uit het vorige leven. Soms wilt een ziel gewoon iets heel specifieks in een bepaald leven onderzoeken. En dat dan een volgend leven heel anders kan zijn. Het gaat dus allemaal niet zo heel netjes en lineair, het kan ook schokkerig (avontuurlijk en onvoorspelbaar, red.) zijn. Maar dit leven wat ik nu zag, deed een beetje Middeleeuws aan.

En dat van Tibet, gevoelsmatig is dat ouder. Maar ja, dat is een sfeer. Dat kan eigenlijk net zo goed in 1600 zijn.

IK: Ja, inderdaad. Maar ook in 1900.

H: Ja, die cultuur is heel lang niet veranderd. Tot aan de Chinese bemoeienis is er eigenlijk duizenden jaren lang heel weinig veranderd, dus dat is heel moeilijk te zeggen. Ik interpreteer het zelf een beetje als een parallel gebeuren. Al die levens gebeuren parallel, en dat heeft allemaal invloed op de ziel. Dat het allemaal gebeurt in één soort heden. En dat werkt goed, vind ik, als je het zo ziet.

IK: Ja, ik begrijp wat je bedoelt. Dat er niet echt tijd is. Dat je het verleden bij je draagt in de vorm van energie. Dat het verleden ook een heden is.

Z: Ja, precies.

H: Ja, vroeger werd reďncarnatie gezien als heel sterk causaal volgens de natuurkunde van die tijd. Tijd is lineair en alles heeft oorzaak en gevolg.  Terwijl ik het nu voor mezelf veel meer dynamisch interpreteer. Er gebeurt iets met die ridder, er gebeurt iets met die monnik, en dat heeft invloed op waar jij nu mee moet leren omgaan.

IK: Ja. Einstein zei ook: Tijd en ruimte zijn relatief. Als nuchtere mensen dat van iemand aannemen, dan is het wel van hem.

H: Ja, inderdaad. Dat klinkt wel goed altijd. Maar het lijkt er toch op, dat in het leven van die ridder, jij voor die agressie-ervaring gewoon geestelijk zelf hebt gekozen (niet dat ik geen vrije wil had of dat het vaststond dat ik geweld zou toepassen, alleen als je incarneert in het leven van een zoon van een krijgsheer in een gewelddadige tijd, is de kans erg groot dat je er in ieder geval mee in aanraking komt, red.)

IK: Het waren in ieder geval wel echt totaal verschillende levens. De één erg spiritueel, de ander erg aards met positieve (liefde) en negatieve (geweld) aspecten.

Z: Ja. Wat me zelf opvalt in dat leven van de ridder, is dat je dat temperament absorbeert van je vader. Je neemt het allemaal in je op, en dan wordt je het zelf ook, maar niet op een manier die je zelf prettig vindt. Dus je ziel is eigenlijk volgens mij aan het zoeken naar hoe je die vuurkracht in jezelf wilt neerzetten. En het weet dan van het leven met die ridder: zo wil ik het in ieder geval niet. Je bent in die levens ook boos op jezelf. En het valt op, dat die emotie ook terugkomt, ook in het leven van die monnik, in het begin. Een soort boosheid van: wat doe ik hier, in deze toch wat grofstoffelijke werkelijkheid? Je lijkt dus op zoek om die boosheid die een distantie veroorzaakt met de werkelijkheid, te transformeren in liefde. Om een soort vrede te vinden. En dan heb je ook nog wel vuur en temperament, maar dan is het niet negatief gericht. Heb je zelf op dit moment vragen?

IK: Ja, ik ben wel nieuwsgierig naar de roerselen in mijn huidige leven.

Z: Oké. Kan je nog een keer je naam zeggen?

IK: M. L.

Z: Ja, ik moet zeggen, die episode met het blowen, ik heb het gevoel dat je dat wel achter je hebt gelaten. Je hebt jezelf er vanaf gekeerd, je bent een andere richting ingeslagen. Ik heb het gevoel daarover niet zo heel veel te hoeven zeggen. Ik kijk nu even in het bijzonder naar de onderste chakra’s. In het tweede chakra voel ik een bepaalde blijdschap, een soort openheid en enthousiasme. Iets heel moois dus. Ik zie wel bij het eerste chakra, daar stroomt het minder goed. Daar zit een stagnatie. Het is alsof je aarzelt of je wel echt helemaal hier wilt zijn. Ook hier voel ik iets met de emotie boosheid. Alsof daar iets moet loskomen, in het eerste chakra. Misschien heeft het wel met het verleden (van dit leven, red.) te maken. Ik heb het idee dat je bepaalde dingen hebt ervaren die je vanuit een begrijpend neutraal standpunt hebt gezien, maar die jou op een emotioneel niveau gekwetst hebben. Kun je daar iets over zeggen?

IK: Of ik dus negatieve emoties onderdrukt heb?

Z: Ja, inderdaad.

IK: Van de eerste 20 jaar kan ik me echt niets traumatisch herinneren. Misschien dat er iets in de eerste jaren is gebeurd, als baby, of in de jaren daarna.

H: Ga daar anders eens heen, naar die tijd. En vertel wat je ziet.

Z: Ik voel een emotie die duidt op een gemiste waardering. Niet zozeer intellectueel, maar meer een emotionele warmte, een geborgenheid. Het eerste chakra staat ook in het teken van veiligheid en geborgenheid. Ik zie nu een beeld van jou als embryo, dus dat je nog niet geboren bent, en de embryo voelt een soort kilheid die een soort rest is in jou van ervaringen van vóór dit leven. Je voelde heel sterk de behoefte aan een emotionele warmte, een gehuld worden in warmte, om je echt te ontspannen en jezelf te kunnen zijn. En ik voel, dat jouw ouders dat zeker wilden geven, maar dat je als het ware op één been hinkt ofzo, dat er puur iets was in jou zelf, ook als heel klein kind, dat je niet zeker wist of je wel helemaal welkom was. Maar dat is ook iets wat je juist in jezelf wilt overwinnen in dit leven. Om dat gevoel van veiligheid en ontspanning helemaal te gaan vinden. Als ik kijk naar hoe dat oplost, hoe de energie in dat eerste chakra weer helderrood wordt en stroomt, dan voel ik dat het belangrijk is jezelf gevoelsmatig te openen naar anderen. Dus je emoties uiten op een manier die verstaanbaar is voor anderen, en daarmee bedoel ik dat de emotie zelf voelbaar is voor anderen, dus niet alleen op een meer abstracte wijze vertellen wat je voelt, maar ook echt de gevoelslading durven neer te zetten. Ik heb het gevoel dat dat een soort poort opent naar andere mensen toe in je omgeving. Is dat duidelijk?

IK: Als ik het vertaal naar het hebben van een muur om me heen, die ik moet afbreken, dan kan ik me er wel iets bij voorstellen. Ik heb ook het idee, dat ik weliswaar voel en andere mensen aanvoel, maar dat ik toch niet echt mijn eigen emoties deel. Het lijkt op een uitgeschakeld iets (dus niet de emoties zelf, maar het delen ervan, daardoor kom ik soms op mensen over als rationeel, red.). Ik ben me ervan bewust dat ik dat moet inschakelen, alleen hoe precies weet ik nog niet.

H: Kun je daar iets over vertellen? Hoe doe je dat?

IK: Ik denk eigenlijk dat het in dit verband ook heel belangrijk is om sterk liefde te ervaren binnen een liefdesrelatie. Want dat is dé manier om echt emoties te delen. Dat doe je ook wel met familie en vrienden, maar een liefdespartner biedt de sterkste verbinding, denk ik.

H: Ja. Wat bij mij ook goed werkt, is omgaan met kinderen.

IK: Ja, inderdaad. Ik hou ook van kinderen, en ook van dieren.

Z: Momentje. Ik had net ook al het gevoel, maar nu weer, dat inderdaad een liefdesrelatie of een gezin je door bepaalde barričres heen sleurt als het ware. Ik voel dat het heel aardend zou werken. Ik heb het gevoel dat je je er ook voor open stelt. Dat heeft ook te maken met het omslagpunt dat er is geweest in je leven, dat je je naar de Aarde toekeert. Ik heb het gevoel dat je niets hoeft te doen daaraan (geen noodzaak om actief op zoek te gaan, red.). Het innerlijk ervoor openstellen, het bereid zijn dat te ervaren, dat is voldoende, dan komt het vanzelf op je pad. Maar om weer terug te komen op de vraag hoe je het delen van je emoties inschakelt, ik heb dus heel sterk het gevoel dat je de belangrijkste stap al hebt gezet, dat je de intentie hebt om dat te gaan leren, en dat roept ook gewoon dingen op je levenspad, dat vraagt ook om een zeker geduld, om zich dat te laten ontvouwen. Wat je verder kunt doen is innerlijk heel goed letten op lichaamssensaties en emoties. Dat je daar met je bewustzijn naar toe gaat en het helemaal laat zijn. Je hebt een bewustzijn wat heel goed kan waarnemen, dus dat kan je gebruiken om trillingen die niet zo heel duidelijk zijn, toch goed te voelen.

IK: Ja, ik moet ook zeggen, sinds Reiki is mijn lichaamsbewustzijn behoorlijk toegenomen.

Z: Ja, dat is geweldig.

IK: Vooral hier (mijn buik) en hier (mijn hart). Alsof er een 5 graden Celsius toename heeft plaatsgevonden. Ik ben er ook constant mee bezig, mijn aandacht is er steeds op gericht.

Z: Ja. En wanneer je meer met mensen omgaat, beleef je ook sterkere emoties, omdat mensen dat oproepen. En dan kun je dat ook verder uitbouwen.

IK: Ja, wat dat betreft zou een schrijversbestaan ook niet echt gezond voor me zijn.

Z: Nee, inderdaad. Niet uitsluitend in ieder geval.

IK: Ik heb ook eigenlijk ook al besloten om dat voorlopig even opzij te zetten. Misschien pak ik het op m’n 50e of zo weer op. Kan ik nog een paar andere vragen stellen?

Z: Ja, tuurlijk.

IK: Is het allereerst mogelijk om vast te stellen of er vreemde of negatieve energieën in mijn aura huizen?

Z: Daar kan ik wel naar kijken, ja. Ik heb niet dat gevoel, hoor. Op een bepaalde manier heb je ook een soort krachtveld om je heen. Zoiets van: dit ben ik. Je zit wel goed in je vel. Dat je een soort ik-kracht hebt. Maar, ik heb ze wel eens gezien bij mensen, hoor. Ik geloof zeker dat het bestaat.

IK: Ja, ik geloof het ook wel. Overleden mensen, mensen die je iets hebt aangedaan in een eerder leven.

Z: Ja, precies. Ik kijk nog even een keer naar je aura rond je hoofd. Ik heb echt het gevoel dat alles goed gesloten is, alleen bij je hoofd rechts iets minder, maar dan nog zie ik niets kleven.

Ik voel wel dat het echt blijvend goed is om aardende dingen te doen, dus als je merkt dat je teveel in de denksferen zit, dat je even wat gaat doen. Even goed terug in je lichaam.

H: Klussen bijvoorbeeld.

Z: Of buiten lopen.

IK: Ik ben alleen niet echt een klusser. Wandelen in de natuur vind ik wel aangenaam. Is het mogelijk om contact te leggen met mijn ouders?

Z: Heb je foto’s bij je?

IK: Nee, helaas niet.

Z: Oké. Het is een beetje afhankelijk van de situatie. Soms voel ik contact, soms niet. Maar ik kan wel even kijken wat ik voel. Kun je de naam van je vader en moeder hardop zeggen?

IK: X en X.

H: En denk ook nog even aan ze.

IK: Oké.

Z: Ik voel een beetje op afstand. Ik heb niet direct contact met hen nu. Ik voel in ieder geval hele warme, vriendelijke energie van hen uitgaan. Wat ik ga doen, is kijken of ik contact kan maken met een gids van jou, zodat deze misschien meer kan vertellen. Dat is wel leuk, ik zie een gids bij jou, ze ziet eruit als een heel sportief meisje. Ze ziet er heel aards uit. Ze heeft haar in staartjes, donkerbruin haar, ze heeft echt iets heel aards. Ik vraag haar dan: kunnen we contact maken met je ouders? Ze zegt dat het heel goed met hen gaat. Is er iets dat je wilt weten of zeggen tegen hen?

IK: Ik wil weten hoe het met hen gaat, maar dat is al beantwoord. Ik wil verder graag weten of er iets is dat zij tegen mijn broer, mijn zus of mij willen zeggen.

Z: Jaja. Ik voel het niet duidelijk, nee. Ik voel wel een stroom van sympathie en liefde van hen uitgaan. Wacht, meer zoiets van: jullie moeten goed voor elkaar zorgen. Ik voel meer energie van je moeder afkomen dan van je vader. Ik voel een energie die bij je moeder hoort. Ik voel dat ze in een sfeer zit die heel rustig is, en waar ze ook aan het herstellen is van bepaalde dingen. Ik heb ook de indruk dat ze jullie nog wel volgen, maar dat ze ook helemaal los zijn van de Aarde.

IK: Zijn ze samen? Of werkt dat niet zo?

Z: Kun je nog een keer de naam van je vader zeggen?

IK: X.

Z: Ik heb wel de indruk dat ze elkaar regelmatig ontmoeten. En dat is zeker niet altijd zo. Ik zie wel dat ze apart een soort onderricht krijgen. Ik voel bij je moeder een soort emotionele pijn ergens over, en dat ze daarmee bezig is.

IK: Mag ik nog wat vragen? Ze zijn allebei rond hun 50e aan kanker overleden. Is dat een gevolg geweest van een fysieke ziekte en een slechte leefgewoonte (zoals roken), of heeft het een psychosomatische oorzaak gehad?

Z: Bij je moeder voel ik dat het psychosomatische aspecten had, in de zin dat ze bepaalde emoties niet voldoende uitte, en dat ze wat dingen in zichzelf oppotte, en dat dat energie kan vastzetten. Bij je vader voel ik ook iets dat hij onderdrukte, een soort boosheid. Maar bij je moeder heeft het meer een iets verdrietige aard. Het heeft iets te maken met haar moederrelatie.

IK: Ze was geadopteerd.

Z: Jaja. Het zou kunnen gaan om de relatie met haar biologische moeder, dat dat misschien toch veel indruk heeft gemaakt. Dat dat begin niet helemaal goed is gegaan. Maar wat betreft de kanker, ik heb zelf de indruk in het algemeen dat ziektes toch altijd wel een psychosomatische component hebben. Hier voel ik dat ook een beetje. Er kan ook wel een lichamelijke aanleg spelen waardoor het waarschijnlijker wordt (samenspel van beide factoren, red.) dat je dat krijgt. Maar ik heb de indruk dat je in de omgang met je emotionele gezondheid wel een zekere hand hebt, en dat het in die zin dus niet vastligt.

IK: Mag ik nog één vraagje stellen? Er is me eerder verteld, dat ik een gids zou hebben, die lijkt op een gemoedelijke, enigszins gezette man.

Z: Ja, ik zie het beeld van een grote man, inderdaad gezet. Ik heb het idee dat hij een soort monnik was, hij heeft een jutekleed aan. Ik krijg het beeld van hem dat hij aan de ene kant heel erg kon genieten van dingen, dus ook van lekker eten en drinken en zo, maar tegelijkertijd iets heel scherps had in zijn waarneming. Dus het ging niet ten koste van scherpte van geest. En hij lijkt op je in te werken dat hij je wilt helpen om prioriteiten te stellen, om een soort focus te geven, zo van: eigenlijk is het heel simpel, jouw doel is gewoon om goed te aarden, als je het helemaal samenvat. Dus je moet dingen doen die dat bevorderen. Hij heeft iets in zich waardoor de dingen heel klaar en helder worden. En dat meisje heeft ook iets heel beweeglijks, alsof ze je ook wilt aanmoedigen om te bewegen, te sporten. Of misschien is het ook wel om gewoon te genieten van het lichaam, van zon op je huid, of lekker eten.

IK: Ik zou wel willen weten wat zijn naam is.

Z: Oh ja. Hij zegt dat hij ‘Petrarchus’ heet. Is dat geen bekende naam? En bij het meisje krijg ik iets van ‘Simone’ door.

Einde Sessie

Bron: http://www.reiki-energie.nl